Volg Bouwkroniek

Abonneer u
Aanmelden

Volg Bouwkroniek Bouwkroniek

Parket én vloerverwarming, het kan

Parket én vloerverwarming, het kan

Hout past zich aan zijn hygrothermische omgeving aan en is onderhevig aan dimensionale veranderingen. Extreme en snel veranderende relatieve vochtigheid en temperatuur zullen dan ook een negatieve invloed hebben op houten vloerbedekkingen (bewegingen, vervorming, scheurvorming). Om die fenomenen te beperken, moet men zorgen voor een geschikt binnenklimaat, zowel vóór, tijdens als na het plaatsen van het parket.

De TV 218 'Houten vloerbedekkingen: plankenvloeren, parketten en houtfineervloeren' beveelt aan om de relatieve vochtigheid van de binnenlucht te begrenzen tot 30 tot 60% en bij voorkeur tot 40 tot 55% (de grenswaarden mogen slechts gedurende een beperkte duur optreden) en dit voor een luchttemperatuur van ongeveer 20° C.

Een gunstig binnenklimaat hangt af van verschillende factoren. Zo kunnen verwarming of ventilatie tot een droger binnenklimaat in de woning leiden. Tijdens het stookseizoen is het aanbevolen de insteltemperatuur te begrenzen tot 20-22° C en de ventilatiedebieten aan te passen aan de behoeften. Bij vloerverwarming moet de oppervlaktetemperatuur van de houten vloerbedekking beperkt blijven tot maximum 28 of 29° C. Een hogere insteltemperatuur kan de relatieve vochtigheid aanzienlijk doen dalen (< 30%) en de vervormingen doen toenemen (schoteling, opening van de voegen), wat onomkeerbare schade kan veroorzaken (onthechting, breuk van de ondergrond ...).

Door haar werking brengt vloerverwarming een temperatuur- en vooral ook vochtgradiënt in de houten vloerbedekking teweeg. Daarom veroorzaakt vloerverwarming ' bij een equivalente relatieve vochtigheid in de ruimte ' grotere bewegingen en vervormingen (dit geldt met name voor de schoteling en de opening van de voegen tussen de parketstroken). De toleranties uit de TV 218 kunnen in deze context aangewend worden om de aanvaardbaarheid van deze fenomenen te beoordelen. Zo wordt een voegopening en een schoteling die begrensd blijven tot 1% van de breedte van de planken, als aanvaardbaar beschouwd. Voor een plank van 15 cm breed stemt dit overeen met een voegopening en een schoteling van 1,5 mm.

"Een gunstig binnenklimaat is essentiëel." De vochtgradiënt is vooral opvallend gedurende de eerste dagen na de jaarlijkse inschakeling van de vloerverwarming. Uit WTCB-proeven is immers gebleken dat de vochtgradiënt en de ermee gepaard gaande houtbewegingen die de vloerverwarming bij een stationair regime veroorzaakt, verwaarloosbaar zijn. Om deze gradiënt te beperken is een continu verwarmingsregime beter dan een verwarming die regelmatig onderbroken wordt. Voorts zou men er bij de jaarlijkse indienststelling op moeten toezien dat de watertemperatuur progressief verhoogd wordt. De verwarmingstechnicus en de parketlegger moeten hierover correct ingelicht worden. Alleen dan kunnen ze een goed ontwerp, een doeltreffende installatie en een geschikte parket-lijmcombinatie afleveren.

Ondergrond

Naast een gunstig binnenklimaat kunnen er nog een aantal bijkomende aanbevelingen geformuleerd worden om de vervorming van de elementen van de houten vloerbedekking bij vloerverwarming zoveel mogelijk te beperken.

Bij het plaatsen van de vloerbedekking moet het vochtgehalte van de dekvloer beperkt blijven tot 2% voor dekvloeren op basis van cement en tot 0,6% voor dekvloeren op basis van anhydriet. Als het verwarmingssysteem ingebed is in de dekvloer, is het aanbevolen om een mortellaag van minstens 5 cm dik bovenop het verwarmingselement (buis, kabel) aan te brengen.

Het dekvloertype (traditionele cementgebonden, sneldrogende of vloeibare anhydrietgebonden dekvloer) heeft geen invloed op het gedrag van de houten vloerbedekking omdat ze een identieke warmteoverdracht vertonen. Deze vaststelling geldt echter enkel indien de dekvloer uitgevoerd wordt volgens de regels van de kunst (met name tijdens de verdichtingsfasen) en de buizen door een voldoende dikke laag omhuld worden.

Als de dekvloer droog is, zou men hem op temperatuur moeten brengen door de temperatuur stelselmatig met 5° C te verhogen tot een oppervlaktetemperatuur van 29° C is bereikt. Die temperatuur moet minstens gedurende vijf dagen aangehouden worden. 48 uur voordat de vloerbedekking geplaatst wordt, moet de verwarming uitgeschakeld of op een lage temperatuur gezet worden (oppervlaktetemperatuur van 15° C). Pas drie dagen na het plaatsen van de vloerbedekking mag de temperatuur opnieuw opgedreven worden met maximum 5° C per dag.

Plaatsingswijze

Voor een optimale warmteoverdracht via de vloerbedekking naar de binnenomgeving is enkel een gelijmde (of gelijmd-genagelde) plaatsing aanbevolen. Een verlijming met lijmkoorden is af te raden omdat er luchtlagen onder de vloerbedekking aanwezig zijn, waardoor de warmteweerstand toeneemt. Voor plaatsing boven een vloerverwarming kan een stijve of elastische lijm gebruikt worden. Een stijve lijm (dispersielijm, tweecomponenten polyurethaanlijm) beperkt de houtbewegingen, maar belast de ondergrond meer. In extreme omstandigheden kan dit het parket doen loskomen en/of een breuk in de ondergrond veroorzaken. Het gebruik van dit lijmtype vergt met andere woorden een goed presterende ondergrond (minimale cohesie van 0,8 N/mm²).

Een soepele lijm (STP-lijm, MS-polymeerlijm ...) begrenst de spanningen, maar levert wel grotere houtbewegingen op. Naarmate de lijm elastischer is, worden de bewegingen en vervormingen van het hout groter, waardoor er een zekere esthetische hinder kan ontstaan. Bij planken met een grote (> 10) slankheidsfactor (breedte-dikteverhouding) kan een zeer elastische lijm dan ook vervormingen (schoteling, opening van de voegen) veroorzaken die de toelaatbare criteria uit de TV 218 overschrijden, zonder dat die noodzakelijkerwijze gepaard gaan met onomkeerbare vervormingen. Wanneer het binnenklimaat opnieuw gunstiger wordt, nemen de planken gewoonlijk opnieuw hun normale positie in. Indien men dit lijmtype wil gebruiken, moet men de opdrachtgever inlichten dat de houtbewegingen sterker in het oog kunnen springen.

De invloed van de stijfheid of elasticiteit van de lijm verkleint naarmate de houten vloerbedekking een grotere dimensionale stabiliteit vertoont.

Slankheidsfactor

Stabiele houtsoorten genieten de voorkeur als houten vloerbedekking. Men moet in de mate van het mogelijke kiezen voor planken die op kwartier of vals kwartier gezaagd werden. Het gebruik van hout met een onregelmatige of abnormale vezelrichting is af te raden. Bij de plaatsing zou het hout idealiter een vochtgehalte van 9 tot 10% moeten hebben.

Bij planken uit massief hout moet de slankheidsfactor begrepen zijn tussen 4 en 10. Deze factor is voornamelijk afhankelijk van de dimensionale stabiliteit van de houtsoort, haar nervositeit, haar kwaliteit en de zaagwijze. Voor stabielere houten vloerbedekkingen, zoals bepaalde meerlagige parketsoorten, is een hogere verhouding te overwegen. De maximale dikte van vloerbedekkingen uit loofhout (met inbegrip van het eventuele onderparket) moet beperkt worden tot 22 mm, voor vloerbedekkingen uit naaldhout tot 15 mm.

Het gebruik van meerlagig parket kan een goede oplossing zijn voor zover de kwaliteit van het product proefondervindelijk aangetoond werd. Bij een identieke slankheidsfactor kan meerlagig parket een dimensionale stabiliteit vertonen die tot twee keer groter is dan bij een massief parket of een tapijtparket dat op een onderparket gelijmd-genageld is. Deze vaststelling gaat echter enkel op voor meerlagig parket waarvan de kwaliteit proefondervindelijk aangetoond werd.

De ervaring en contacten met de professionelen uit de sector leren immers dat het meerlagige parket dat momenteel in de handel is, van zeer wisselvallige kwaliteit is, vooral de verlijming van de toplaag op de kern van de plaat. Een volgend artikel zal dieper ingaan op deze problematiek, evenals op de noodzaak om prestatiecriteria te definiëren. Een tapijtparket met een gelijmd-genagelde plaatsing op een onderparket voldoet in de regel aan de toleranties.

Door de randen van de parketstroken af te schuinen, kan de esthetische hinder van de voegopening tussen de planken beperkt worden.

Afwerking

De afwerking van de houten vloerbedekking met vernis, olie of was kan de snelheid van vochtuitwisseling tussen het hout en de binnenomgeving beïnvloeden. De ervaring van de WTCB-medewerkers leert evenwel dat dit aspect verwaarloosbaar is in vergelijking met de hiervoor besproken parameters.

Bron: het artikel 'Zijn parket en vloerverwarming verenigbaar'' van ir. Stéphane Charron, adjunct-laboratoriumhoofd Hout en Coatings, en ir. Christophe Delmotte, laboratoriumhoofd Luchtkwaliteit en Ventilatie van het WTCB, in WTCB-Contact 2014/3. Er mag alleen verwezen worden naar dit artikel, dat te vinden is op www.wtcb.be, doorklikken op WTCB-Contact onderaan rechts op de homepage.

OVERHEIDSOPDRACHTEN
Alle overheidsopdrachten

Meest aanbevolen artikels

Bouwteam Nautilus wint competitie voor casino Middelkerke

Bouwteam Nautilus wint competitie voor casino Middelkerke

  De gemeente Middelkerke gunde op 9 september het ontwerp en de bouw van het nieuwe casinogebouw aan Bouwteam Nautilus. Samen met de heraanleg van het Epernayplein worden de kosten van de bouw van het casinoproject begroot op 41 miljoen[…]

Eerste kandidaten Belgian Construction Awards zijn ingeschreven

Eerste kandidaten Belgian Construction Awards zijn ingeschreven

Huurland breidt vloot uit met 2 Mini Screeners

Huurland breidt vloot uit met 2 Mini Screeners

Vlaamse professoren willen gewestplan afschaffen

Vlaamse professoren willen gewestplan afschaffen