Volg Bouwkroniek

Abonneer u
Aanmelden

Volg Bouwkroniek Bouwkroniek

Oorzaken van vocht in gebouwen

Oorzaken van vocht in gebouwen

De meest voorkomende oorzaken van vocht in gebouwen zijn bouwvocht, inwendige of oppervlaktecondensatie, hygroscopiciteit van bouwmaterialen, oplosbare zouten die aanwezig zijn in de bouwmaterialen, infiltraties die te wijten zijn aan regendoorslag doorheen het metselwerk, het schrijnwerk of het dak, en stijgend vocht.

Voor een traditionele eengezinswoning schat men dat er ongeveer 5.000 l bouwvocht in de bouwmaterialen achterblijft, dat vervolgens afgevoerd moet worden. Bij bouw- of renovatiewerken is het dus normaal dat er met het aanbrengen van de afwerking verschillende maanden gewacht wordt totdat het metselwerk en de ondergrond voldoende droog zijn.

Condensatie

Oppervlaktecondensatie op poreuze materialen kan schade aan de afwerking en schimmelvorming veroorzaken. Dit soort problemen wordt overwegend aangetroffen in zones waar de oppervlaktetemperatuur laag is en de mogelijkheden tot ventilatie beperkt zijn, zoals hoeken, afgesloten ruimten achter meubilair en koudebruggen.

Thermische isolatie kan het risico op plaatselijke oppervlaktecondensatie verhogen, voornamelijk door het versterken van koudebruggen. Dit risico wordt nog vergroot wanneer de isolatie gecombineerd wordt met een lagere verwarmingstemperatuur en een geringer luchtverversingsdebiet, bv. door het afdichten van kieren en openingen, het isoleren van de zolderruimten of het plaatsen van nieuw schrijnwerk zonder aangepaste ventilatiestrategie.

Plaatsen van isolerende beglazing in een weinig of niet geïsoleerd gebouw kan het risico op condensatie verplaatsen van de ramen naar de muren (doordat de ramen niet langer het koudste oppervlak vormen). Hierdoor verhoogt het risico op schimmelvorming. Daarom moet de plaatsing van isolerende beglazing steeds gepaard gaan met aangepaste ventilatievoorzieningen.

Behalve oppervlaktecondensatie kan dampdiffusie doorheen bouwelementen ontstaan onder invloed van een (damp)drukverschil tussen de binnen- en de buitenomgeving. Wanneer de vochtige lucht in contact komt met een koud oppervlak in een bouwelement, bestaat er risico op inwendige condensatie. In massieve muren is de inwendige condensatie meestal beperkt vanwege de wisselende klimatologische omstandigheden: perioden van condensatie worden afgewisseld met perioden van droging. Isolatie aanbrengen langs de binnenzijde kan het risico op inwendige condensatie vergroten en moet vooraf dus steeds grondig bestudeerd worden.

Hygroscopiciteit

Zelfs als er geen bron van vloeibaar water aanwezig is, kunnen poreuze materialen een zekere hoeveelheid hygroscopisch vocht opnemen, die varieert volgens de relatieve vochtigheid van de omgevingslucht, de materiaaleigenschappen en het zoutgehalte van het materiaal.

Deze hygroscopiciteit kan ongewenste gevolgen hebben. De afmetingen van de materialen variëren immers in functie van het hygroscopische vochtgehalte en bijgevolg ook van de relatieve omgevingsvochtigheid in een ruimte. Zelfs cementgebonden materialen of materialen uit gebakken aarde ondergaan dimensionale vervormingen die kunnen leiden tot scheurvorming, vooral als ze in dunne lagen aangebracht worden. Bij een hoge relatieve vochtigheid (hoger dan 70%) kan het hygroscopische vochtgehalte van de oppervlaktelaag volstaan om schimmelvorming te veroorzaken.

Oplosbare zouten

Het gaat om de oplosbare zouten die oorspronkelijk aanwezig zijn in de bouwmaterialen of die door capillariteit migreren naar het metselwerk, onder meer door stijgend vocht en infiltraties. Kristallisatie, hydratatie en hygroscopiciteit kunnen tot beschadiging van poreuze materialen door oplosbare zouten leiden. Het werkelijke gedrag van oplosbare zouten in het metselwerk is afhankelijk van diverse factoren, waaronder de aard van het zout zelf, de verschillende zouten die aanwezig zijn en de hygrothermische omgevingsomstandigheden.

De hygroscopiciteit van de zouten kan een stuk problematischer zijn dan die van de bouwmaterialen en leidt vaak tot vochtvlekken en tot schade aan de afwerking. Met uitzondering van individueel verstrekte adviezen bestaat er nagenoeg geen informatie over de concentraties aan oplosbare zouten die zich in het metselwerk kunnen handhaven zonder schade te veroorzaken.

Regenwaterinfiltraties

Bij niet-geïsoleerde spouwmuren zijn de meeste infiltratieproblemen te wijten aan een gebrekkige plaatsing van de membranen die het water uit de spouw moeten afvoeren, of aan de aanwezigheid van bouwafval in deze spouw. Hoewel deze membranen tegenwoordig systematisch geplaatst worden, wordt de af te voeren hoeveelheid water doorgaans onderschat.

Als er geen openingen zijn om het opgevangen spouwwater af te voeren (minstens één open stootvoeg per strekkende meter) of als de openingen niet volledig vrijgemaakt zijn tot aan het niveau van het membraan, kan het water zijdelings weglopen. Het water kan dan via de eerste onderbreking binnendringen (via overlappingen, gaten of scheuren, plaatsen waar het vochtscherm ophoudt aan deuropeningen of aan weerszijden van de lateien). Een gebrekkige luchtdichtheid van de gevel (bv. geen bepleistering aan de binnenzijde) kan eveneens aan de basis liggen van vochttransport tussen het gevelmetselwerk en het dragende metselwerk.

Gebreken met betrekking tot de waterdichtheid van het schrijnwerk zijn voornamelijk te wijten aan de ouderdom en aan een gebrekkig onderhoud van de soepele voegen, de houtafwerking... Recent schrijnwerk is weinig gevoelig voor infiltraties: als er problemen vastgesteld worden, zijn die gewoonlijk te wijten aan gebreken in het ontwerp of bij de plaatsing (afstelling van het hang- en sluitwerk, dichtheid van de verbindingen, omzeiling van de dichtingsvoeg door de ruwbouw). Op het gelijkvloers kunnen dergelijke infiltraties gemakkelijk onopgemerkt blijven in een zone die ook aangetast is door stijgend vocht. Ze zullen dus pas ontdekt worden nadat het stijgend vocht behandeld is.

Infiltraties aan het dak zijn meestal het resultaat van slechte aansluitingen, tussen de onderdelen van de dakbedekking onderling of tussen deze onderdelen en andere elementen zoals dragende muren, gemene muren of schoorstenen. Infiltraties kunnen zich eveneens voordoen vanwege plaatselijke gebreken, slecht onderhouden dakgoten en afvoerpijpen of ten gevolge van de slechte algemene toestand van de elementen van de dakbedekking.

Stijgend vocht

Stijgend vocht in metselwerk bereikt gemiddeld een maximumhoogte van ongeveer 0,5 tot 1,5 m, afhankelijk van de omgeving en de materiaaleigenschappen. Deze waarden kunnen lager zijn in sterk geventileerde gebouwen, maar het vocht kan ook hoger stijgen als de verdamping bemoeilijkt of belet wordt (bv. door bitumineuze bepleisteringen, cementering, bekuiping, waterdichte folies, thermische isolatie, keramische tegels of voorzetwanden).

Het is dus aan te raden om nooit een bekleding te plaatsen die de droging van aan stijgend vocht onderhevig metselwerk vertraagt, zonder vooraf maatregelen te nemen die het stijgen van het vocht verhinderen. In vergelijking met andere vochtoorzaken brengt stijgend vocht vaak grote schade teweeg aan de binnen- en buitenafwerking, aangezien de directe gevolgen van het vocht gecombineerd worden met die van de zouten afkomstig uit de bodem en uit de materialen zelf.

In bepaalde gevallen is er schade door stijgend vocht hoewel er correct gepositioneerde vochtwerende membranen aanwezig zijn. Deze beschadigingen kunnen zich voordoen door een verhoging van het vloerpeil aan de buitenzijde tot boven het niveau van het spouwmembraan en van het vochtscherm. Ze kunnen ook veroorzaakt worden doordat de binnenbepleistering aangebracht wordt tot onder het niveau van het vochtscherm. Deze poreuze en capillaire bepleistering overbrugt in dat geval het vochtscherm en leidt tot bevochtiging van het metselwerk boven het membraan. Een mogelijke oplossing is een sleuf graven aan de voet van de binnenbepleistering en de plinten opnieuw plaatsen met een waterafstotende mortellijm of met mechanische verbindingen.

Andere oorzaken

Lekken in ingewerkte aanvoer- en afvoerleidingen maken slechts een klein percentage van de vochtproblemen uit. Bovendien kunnen ze meestal gemakkelijk gediagnosticeerd worden, behalve in die gevallen waarin de wateroverdracht naar het metselwerk bevorderd wordt, bv. door een zwevende dekvloer te plaatsen op een doorlopende vloerplaat. Metselwerk aan de straatzijde heeft vaak last van opspattend regen- en smeltwater. De muurvoeten kunnen ook vochtig worden door verkeerd hellende terrassen en voetpaden rondom de woning, waardoor waterplassen ontstaan tegen de muren.

Bron: hoofdstuk 2 van TV 252 'Vocht in gebouwen'. Deze TV kan tegen de gebruikelijke voorwaarden gedownload worden van www.wtcb.be (doorklikken naar Publicaties en Technische Voorlichtingen). Ze is ook uitgegeven in brochurevorm en te bestellen bij de dienst Publicaties van het WTCB (02 529 81 00, fax 02 529 81 10 of publ@bbri.be). Er mag alleen verwezen worden naar de Technische Voorlichting zelf.

OVERHEIDSOPDRACHTEN
Alle overheidsopdrachten

Meest aanbevolen artikels

Bouwsector vreest nieuwe lockdown

Bouwsector vreest nieuwe lockdown

Nu het horecaleven in ons land opnieuw werd stilgelegd, beginnen ook andere sectoren te vrezen voor een nieuwe lockdown. Dat zou dramatisch zijn voor onze economie, ook al zou de bouw dankzij het afgesloten protocol onder alle sociale partners[…]

Cactus Muziekcentrum krijgt nieuwbouw

Cactus Muziekcentrum krijgt nieuwbouw

Brussel wil 600 bouwbedrijven steunen bij transitie naar circulair bedrijfsmodel

Brussel wil 600 bouwbedrijven steunen bij transitie naar circulair bedrijfsmodel

Overheid wil private investeringen aanmoedigen

Overheid wil private investeringen aanmoedigen