Volg Bouwkroniek

Abonneer u
Aanmelden

Volg Bouwkroniek Bouwkroniek

Maximale detacheringsduur moet sterk ingekort worden

Maximale detacheringsduur moet sterk ingekort worden

“De Belgische bouwsector blijft inzake veiligheidsorganisatie op de bouwplaats één van de slechte leerlingen van de Europese klas, vooral in vergelijking met de Angelsaksische landen. We moeten dus op dit punt verbeteren”, beklemtoont Paul Depreter.

Voorzitter Confederatie Bouw stelt zeven aandachtspunten voorop

Aan zeven prioritaire aandachtspunten wil Paul Depreter, op 29 maart verkozen tot nieuwe voorzitter van de Confederatie Bouw, werken; zo stelde hij tijdens de jaarlijkse lunch van de Confederatie Bouw op in Hôtel de la Poste in het Brusselse Tour & Taxis. Gastsprekers Helga Stevens en Claude Rolin braken respectievelijk een lans voor een kortere detacheringstermijn en een sociaal Europa.

“Ik zal de ervaring die ik gedurende veertig jaar heb opgebouwd in een multidisciplinaire bouwgroep (als bestuurder bij BAM Belgium) actief in de drie gewesten van dit land ten dienste stellen van de Confederatie Bouw. Ik wil als voorzitter luisteren naar kleine, middelgrote en grote bouwbedrijven, want de kracht van de Confederatie Bouw schuilt in haar representativiteit en haar draagvlak. Op basis van gesprekken en van mijn professionele ervaring heb ik zeven prioritaire aandachtspunten vastgelegd: de digitalisering van onze beroepen en de gevolgen daarvan; de “europeanisering” van de bouw en alle uitdagingen hierdoor voor onze beroepen; het statuut van de bouwvakker en onze relaties met de vakbonden; het bevorderen van investeringen in bouwwerken; ons imago en vooral onze ‘corporate social responsability’, onze verantwoordelijkheid t.a.v. de wereld rondom ons; nauw verwant met het vorige aandachtspunt de veiligheid; en de voltooiing van de hervorming van onze beroepsorganisatie, die werd ingezet onder onze voormalige voorzitters Johan Willemen en Colette Golinvaux”, stelt hij.

Vooraleer in te gaan op deze aandachtspunten en op de ‘modernisering” van zijn beroepsorganisatie staat hij stil bij de gunstige economische perspectieven. “Het Federaal Planbureau voorziet voor 2017 een groei van de Belgische economie met 1,6% en de OESO zelfs met 1,7%. Uit de jongste conjunctuurbeoordeling van onze studiedienst blijkt het aandeel aannemers met een pessimistische visie op de toekomstige evolutie van de conjunctuur gedaald tot 11,3%, het laagste niveau sinds jaren; het vertrouwen van onze aannemers is dus groter. Uit deze conjunctuurbeoordeling blijkt tevens dat de verzekerde activiteitsduur (de gevulde orderboekjes uitgedrukt in maanden) in de eerste drie maanden van 2017 met 4% is gestegen in vergelijking met de laatste drie maanden van 2016. Ten slotte verwacht de OESO in 2018 een verdere daling van de werkloosheid van 7,9% naar 6,6%. Deze indicatoren wijzen op een algemene economische context die ons tot optimisme moet stemmen”, juicht de voorzitter van de Confederatie Bouw toe.

Het eerste domein waaraan hij bijzondere aandacht wil schenken is de digitalisering van de bouwberoepen en de gevolgen daarvan. “De digitale transitie in de bouw is één van de grote uitdagingen waarmee onze bedrijven nu al worden geconfronteerd en de volgende jaren steeds meer te maken zullen krijgen. Onze beroepsorganisatie moet zich hier actief op voorbereiden en is daar al mee begonnen bij de gewestconfederaties en op federaal niveau. Zo focusten meer dan 1.500 bedrijfsleiders, onder wie vele kmo-leiders, en vertegenwoordigers van de hele bouwketen tijdens het BouwForum in februari zich op de digitalisering in de bouw. Bovendien is het jaarverslag 2016-’17 volledig gewijd aan de digitale transitie”, stelt Paul Depreter.

Hij wil de Confederatie Bouw een reëel strategisch plan bezorgen om de digitale transitie van de sector te steunen, want haar leden-bedrijven vragen ondersteuning en begeleiding bij deze verandering. Gebaseerd op een inleidende nota goedgekeurd door het bestuurscomité van de Confederatie Bouw in maart wil hij deze werf snel starten om tegen eind dit jaar te komen tot een strategische visie op de digitalisering van de sector en een samenhangend actieplan om de bedrijven bij te staan. Dit plan moet gebaseerd zijn op een aantal acties om de communicatie met de bedrijven te stimuleren en ze bewuster te maken van het belang van de digitale transitie, het overleg met de overheden te bevorderen in nauwe samenspraak met de gewestconfederaties, bijzondere aandacht te besteden aan de begeleiding van kmo’s, bedrijven te helpen bij kennisverwerving (opleiding en meetinstrumenten) en vertrouwen te geven, en de rolverdeling te organiseren tussen de belangrijkste actoren in dit dossier. De Confederatie Bouw zal in de herfst ook een eerste beurs organiseren gewijd aan de digitalisering van de bouw.

“Dit strategisch plan heeft slechts zin als het wordt uitgewerkt in nauw overleg met alle niveaus van de beroepsorganisatie, zoals ons bestuurscomité wenst. Daarna is het aan de raad van bestuur van de Confederatie Bouw om dit ontwerpplan goed te keuren”, meldt hij.

Europeanisering

Zijn tweede aandachtspunt is de “europeanisering” van de bouw. De economische openstelling van de Europese binnengrenzen is een bijna tastbare realiteit voor alle ondernemingen in onze sector. Die Europese eenheidsmarkt in de bouw vormt zowel een opportuniteit als een bedreiging. Zo biedt ze onze leden mogelijkheden om makkelijker hun activiteiten uit te breiden tot onze buurlanden en verder. Een aantal van hen grijpen ook die kans, maar ze zijn duidelijk minder talrijk dan diegenen die lijden onder de concurrentie van ondernemingen die niet onderworpen zijn aan dezelfde beperkingen en die hierdoor hun diensten goedkoper kunnen aanbieden. Hiermee raken we aan het probleem van de deloyale concurrentie en de gedetacheerde arbeid tegen lagere prijzen. De Confederatie Bouw heeft hiertegen inspanningen geleverd, die moeten voortgezet worden. We moeten komen tot een ‘level playing field’ zonder het positieve luik van de europeanisering te vergeten. We moeten onze leden helpen om zich aan te passen aan de grote Europese markt en hiervan de voordelen te plukken. Zich terugplooien op zichzelf zou steriel en contraproductief zijn. De Europese Unie heeft immers een belangrijke invloed op de bouwsector, zoals ons jaarrapport van 2014 heeft aangetoond”, duidt Paul Depreter.

Zo is de nieuwe reglementering inzake overheidsopdrachten een direct gevolg van de Europese regelgeving en volgens de voorzitter van de Confederatie Bouw bijgevolg een belangrijk aandachtspunt voor diens juridische dienst. Hierbij verwijst hij naar de nieuwe uitgave van de Praktische Commentaar, die voor het eerst in een volledig digitale versie beschikbaar wordt gesteld en die de volgende maanden moet gefinaliseerd worden. De Confederatie Bouw wil immers hier naast de FIEC, de federatie van de Europese bouwnijverheid, blijven handelen.

De arbeidsrelaties met het statuut van de werknemer en de betrekkingen met de vakbonden vormen zijn derde aandachtspunt. “Ik ben er op grond van mijn lange ervaring met arbeidsrelaties van overtuigd dat het overleg met onze vakbondspartners in de bouw ons in staat heeft gesteld om de afgelopen vijftig jaar grootse dingen te verwezenlijken voor het algemene welzijn van bedrijven en werknemers. Maar de machine is vandaag vastgelopen: we slagen er niet meer in om akkoorden te sluiten met de vakbonden over een echte visie op de toekomst van onze sector. De oorzaak hiervoor ligt ook bij hervormingen van het arbeidsrecht die niet de goede richting uitgingen zoals de verlenging van de opzegtermijnen voor arbeiders, de Europese detachering en de sociale dumping. Onze vakbonden zijn zich bewust van de huidige veranderingen, maar reageren hierop niet op de juiste wijze. De recentste sectorale onderhandelingen hebben aangetoond dat de kloof tussen hen en ons fors is toegenomen. Tegen onze wens in om een groot sociaal pact te sluiten voor het behoud van werkgelegenheid en concurrentievermogen hebben onze partners in het paritair comité gekozen voor een traditioneel eisensyndicalisme”, betreurt Paul Depreter.

Samen met Dirk Cordeel en de werkgeversdelegatie wil hij zo vroeg mogelijk in de volgende onderhandelingsronde een denkoefening starten over de toekomst van het sectorale overleg en over mogelijke ideeën van de Confederatie Bouw om een nieuw overlegmodel te trachten vast te leggen. Misschien moet dit volgens hem meer toegespitst worden op de ervaring van het bouwbedrijf.

“Ik wil tijdens mijn voorzitterschap ook schot krijgen in een aantal dossiers die onder het sociale beleid vallen. Het eerste dossier, de harmonisatie van de aanvullende pensioenstelsels voor arbeiders en bedienden, kan een reële tijdbom vormen voor onze bedrijven als we niet tijdig de juiste maatregelen treffen. We moeten hiermee vandaag beginnen om klaar te zijn met een afgerond harmonisatievoorstel over vier tot vijf jaar. Het tweede dossier betreft de flexibiliteit: onze bedrijven zijn slecht op de hoogte van de mogelijkheden die de reglementering hun biedt, zodat we hierover meer moeten communiceren met onze leden. Daarnaast moeten we nadenken over aanpassingen die in deze regelingen doorgevoerd moeten worden, niet om meer flexibiliteit te verkrijgen - de regelingen volstaan - maar wel met het oog op een betere flexibiliteit. En ten derde moet een loonkostenverlaging onze bedrijven weer concurrentiekracht geven, want die kreeg klappen van de oneerlijke concurrentie door buitenlandse ondernemingen. Ik schaar mij volledig achter de actie van mijn voorganger voor de verlaging met 6 € per uur en hoop dat we bruikbare resultaten bereiken in dit dossier bij de beslissingen die de regering begin juli moet nemen in een aantal belangrijke sociaal-economische aangelegenheden”, verklaarde de voorzitter van de Confederatie Bouw op 21 juni.

Zijn vierde aandachtspunt is  de bevordering van investeringen in bouwwerken en hun financiering op de privé- en de openbare markt. Op dit vlak deelt hij als voorzitter van de nationale Confederatie Bouw  een verantwoordelijkheid met zijn collega’s van de gewestelijke confederaties, vermits de gewestregeringen hier ruime bevoegdheden hebben. “De Confederatie Bouw moet de hefbomen waarover ze op elk machtsniveau beschikt activeren. Op federaal vlak moeten we telkens wanneer mogelijk wijzen op de structurele zwakte van de openbare investeringen in België in vergelijking met het gemiddelde van de andere EU-landen. In dit opzicht blijkt het strategische plan van de regering met het oog op een herstel van de Belgische openbare investeringen, waarin we veel hoop hadden gesteld, vandaag erg teleurstellend. De premier, zich ongetwijfeld bewust van het gebrek aan ambitie van dit plan,  heeft zelf aangekondigd alles in het werk te zullen stellen om de investeringsinspanningen tegen 2030 te verdubbelen”, weet Paul Depreter.

Hij wil vanaf september op dit strategische plan terugkomen door na het akkoord van de betrokken experts de volledige procedure van het colloquium van de Confederatie Bouw over openbare aanbestedingen in oktober 2016  te publiceren. Dit moet toelaten om het debat over dit belangrijke thema te herlanceren en nieuwe lijnen voor de lobbying van de Confederatie Bouw uit te tekenen.

“Voor de bevordering van privé-investeringen en hun financiering zullen we veel aandacht moeten schenken aan de evolutie van de vastgoedfiscaliteit in de ruime betekenis, een bevoegdheid die eveneens wordt gedeeld met de gewesten die bij de zesde staatshervorming in 2014 nieuwe verantwoordelijkheden (vooral in het kader van de woonbonus) toegewezen kregen. Ik zal blijven pleiten voor gecoördineerde acties tussen de verschillende niveaus van de beroepsorganisatie, bovenal door overleg in het Management Team en door ook al het werk hiervoor in het verleden te valoriseren”, belooft de voorzitter van de Confederatie Bouw. 

Corporate governance

Zijn volgende actiepunt is het imago van de sector en diens ‘corporate social responsability’ of maatschappelijke verantwoordelijkheid tegenover de wereld rondom. “Ik blijf de strijd tegen dumping en sociale fraude, vooral bij detachering van buitenlandse werknemers, voeren in het verlengde van de acties door mijn voorgangers. Daarbij moet het Plan voor Eerlijke Concurrentie, het resultaat van de werkzaamheden aan de Rondetafel Bouw in 2015, voort worden uitgevoerd. Indien vereist zullen we echter ook nieuwe bestrijdingsstrategieën moeten uitstippelen.  Zo wil ik de sector aantrekkelijker maken voor jongeren, waarbij de inspanningen door Colette Golinvaux voor de herwaardering van de sectorale beroepen moeten worden voortgezet. Daarnaast moeten we werken aan de opleiding voor specifieke beroepskwalificaties in overleg met de patronale vertegenwoordigers in Constructiv. Het BouwForum, de Open Wervendag en talrijke beroepsbeurzen moeten het imago van onze beroepen blijven steunen. Bovendien moeten wij in onze organisatie en in de organisaties die aan ons gelinkt zijn een onberispelijk beleid voeren. Het getuigt van gezond beleid dat wij aandachtig zijn voor de leeftijdsgrens en zo zorgen voor een goede rotatie van mandaten zodat wij jongeren de kans geven die op te nemen. We mogen het respect voor de regels van goed bestuur (‘Corporate Governance’) niet uit het oog verliezen”, oppert hij.

Hoewel veiligheid op bouwwerven deel uitmaakt van Paul Depreters vorige programmapunt wil hij er toch bijzondere aandacht aan schenken. “Hoewel de risicopreventie met de tijd verbetert, blijft de Belgische bouwsector inzake veiligheidsorganisatie op de bouwplaats één van de slechte leerlingen van de Europese klas, vooral in vergelijking met de Angelsaksische landen. We moeten dus op dit punt verbeteren. De Confederatie Bouw moet het engagement van de patronale delegatie geleid door Bob Van Poppel in de schoot van Constructiv blijven steunen, maar ze moet zelf ook initiatieven nemen, vooral op het vlak van sensibilisering en communicatie en niet alleen naar haar leden maar ook tegenover de overheden. In tegenstelling tot België nemen andere landen hier wel hun deel van de verantwoordelijkheid op, bv. door in de gunningscriteria rekening te houden met de frequentiecijfers inzake de veiligheid van de inschrijvers en door in de inzending op een aanbesteding afzonderlijke posten voor de veiligheid te voorzien zodat veiligheid een punt ”buiten concurrentie” wordt. We moeten actie ondernemen bij onze overheden. Ik zal hiervoor concrete voorstellen doen bij onze raad van bestuur”, belooft de voorzitter van de Confederatie Bouw.

Zijn zevende actiepunt is de hervorming van de organisatie, die Confederatie Bouw 2020 werd gedoopt. “Deze hervorming verloopt in een goed tempo en ik was vanaf het begin van mijn mandaat onder de indruk van de grote inzet van een groot aantal actoren, zowel mandatarissen die lid zijn van de Stuurgroep (het Steerco) als voorzitters van de groeperingen die bij elkaar gekomen zijn voor een intense werkvergadering op 24 april, maar ook de vaste verantwoordelijken van onze organisatie die heel actief zijn via o.m. het Management Team dat om de drie weken vergadert om het veranderingsproces aan te sturen. De enorme hoeveelheid energie die in dit proces wordt gestopt, roept uiteraard een pak verwachtingen en hoop op en ik ben mij bewust van onze verantwoordelijkheid om dit titanenwerk te doen uitmonden in zo concreet mogelijke resultaten die onze organisatie paraat maken voor de uitdagingen waarvoor zij staat”, beseft Paul Depreter.

Behalve voor de digitalisering en de internationalisering heeft hij ook aandacht voor andere uitdagingen. Zo moet rekening gehouden worden met de huidige concentratie in de sector en met het omgekeerde, de specialisatie in vele beroepen. “Onze onderzoekscentra hebben als opdracht bedrijven te begeleiden bij het industrialiseren van een alsmaar groter aantal processen. Onze leden krijgen steeds meer gespecialiseerde behoeften, wat ons dwingt tot een segmentering van onze diensten. Onze gewesten hebben ook nieuwe bevoegdheden gekregen. Segmentering en regionalisering drijven onze kosten omhoog terwijl tegelijk de meeste van onze ontvangsten dalen. Meer specialisatie en meer regionalisering enerzijds en een betere taakverdeling van de organisatie anderzijds zijn verenigbaar want op de vraag wat kan en moet veranderen antwoordde u dat we de structuur moeten rationaliseren en vereenvoudigen, dat we productiever moeten zijn, dat er nog ruimte is om de omzet te doen groeien en de organisatie winstgevender te maken en dat er plaats is voor een proactievere organisatie gefocust op het lidbedrijf en zijn behoeften. We moeten streven naar een wendbare organisatie die nog beter communiceert en die solidair is”, stipt de voorzitter van de Confederatie Bouw aan.

Hij ziet nog marges om bepaalde uitgaven in te krimpen, de bestaande middelen beter te gebruiken en nieuwe middelen vrij te maken. “Dit vergt meer synergieën; we zullen samen moeten zoeken hoe we die tot stand moeten brengen en duurzaam maken in een efficiënte structuur. Hierin wil ik al mijn energie steken. Dat ik op de hervormingskar spring, kan gezien worden als een handicap, maar kan ook een voordeel zijn om de zaken met nieuwe ogen te bekijken en extra impulsen te kunnen geven om het begonnen werk te voltooien. Hierbij kan en wil ik echter niet alleen handelen. Ik beschouw mezelf als een facilitator en een vereniger, die kan profiteren van de talrijke plannen en impulsen die mijn voorgangers hebben gegeven. Ik ben mij ook bewust van mijn grote verantwoordelijkheid om de organisatie te helpen op een ogenblik waarop onze ondernemingen moeten onderhandelen over moeilijke vraagstukken en om essentiële hervormingen door te voeren voor haar toekomst”, besluit hij.

Detachering

Europees parlementslid Helga Stevens (N-VA), de eerste gastspreekster, stelt vast dat de bouwsector vandaag terecht meer dan ooit in de Europese richting kijkt. “De huidige Europese detacheringsregels faciliteren sociale dumping en dit maakt de bouwsector in België kapot. Europese antwoorden zijn dan ook broodnodig. Ik strijd voor eerlijkere regels en een gelijk speelveld. Eén op de vier werknemers in de Belgische bouw is vandaag een gedetacheerde werknemer, een hallucinant cijfer. Onze eigen werknemers verliezen de concurrentieslag niet omdat zij minder goed zijn, maar omdat ze een pak duurder zijn. Dit is te wijten aan de huidige Europese regelgeving: aan gedetacheerde werknemers moet niet meer dan het minimumloon in de ontvangstlidstaat worden betaald. Bovendien betalen gedetacheerde werknemers gedurende twee jaar hun socialezekerheidsbijdragen in hun thuisland. Dit erg grote verschil is zeer nadelig voor de concurrentiepositie van onze werknemers. En dan hebben we het niet eens gehad over andere soorten van misbruik zoals brievenbusvennootschappen, schijnzelfstandigheid, kettingdetachering en de herhaaldelijke vervanging van gedetacheerde werknemers, het niet betalen van sociale bijdragen in het thuisland, het afgeven door het thuisland van A1-documenten zonder na te gaan of aan de voorwaarden van detachering is voldaan en frauduleuze A1-documenten”, klaagt ze aan.

“Met een maximale detacheringsduur van 24 maanden gaan we de sociale dumping niet aanpakken”, meent Helga Stevens. Een maximumtermijn van zes maanden in de bouw en andere risicosectoren benadert volgens haar veel meer de eigenlijke doelstelling.

Europees Commissaris voor Werkgelegenheid, Sociale Zaken, Vaardigheden en Arbeidsmobiliteit Marianne Thyssen verklaarde de strijd met sociale dumping te willen aangaan en lanceerde vorig jaar een voorstel om de detacheringsrichtlijn te herzien. Een belangrijke nieuwigheid hierin is het principe van ‘gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plaats’. Hierbij zou een gedetacheerde werknemer hetzelfde moeten verdienen als zijn Belgische collega naast hem op de bouwwerf. Helga Stevens heeft dit idee steeds gesteund en vindt het een essentiële voorwaarde voor eerlijke concurrentie tussen werknemers. De Europese Unie moet immers welvaart en jobs creëren en mag niet door een ‘race to the bottom’ jobs in België vernietigen.

“Veel minder gelukkig ben ik met het voorstel van EU-commissaris Thyssen voor een maximale detacheringsduur van 24 maanden. In risicosectoren zoals de bouw is dit nog veel te lang. Detachering moet steeds tijdelijk zijn, anders is het geen detachering meer. Daarenboven is een detachering van 24 maanden niet steeds tijdelijk. De oorspronkelijke doelstelling van detachering, het tijdelijk uitsturen van buitenlandse arbeidskrachten voor kortlopende projecten omwille van hun expertise en knowhow, is duidelijk uitgehold. Met een maximumtermijn van zes maanden in de bouw en andere risicosectoren kunnen we opnieuw veel dichter komen bij de eigenlijke doelstelling. En wie langer dan zes maanden in België wil werken, kan dat zonder probleem; maar dan moeten dezelfde spelregels worden gevolgd als voor Belgische werknemers. Met een maximumtermijn van 24 maanden gaan we de sociale dumping niet aanpakken. Ik vind het jammer dat Marianne Thyssen zich niet ambitieuzer heeft getoond. We zien bv. in Frankrijk en Duitsland dat daar wel een draagvlak voor is”, duidt Helga Stevens.

Het grootste probleem ligt volgens haar misschien wel bij de sociale zekerheidsregeling. “Ook hier kwam de Commissie met voorstellen, maar die schieten echt te kort. Als het van de Commissie afhangt, zal er helemaal niets veranderen aan de regel dat gedetacheerde werknemers gedurende twee jaar hun sociale bijdragen in hun thuisland betalen. Het lijkt mij nochtans logisch dat sociale bijdragen minstens in het werkland moeten worden betaald zodra geen sprake meer is van een echte detachering. Dat zou betekenen dat Oost-Europese bouwvakkers na zes maanden hun sociale bijdragen in België moeten betalen. Dit maakt het meteen voor werkgevers ook veel minder interessant om werknemers zomaar te detacheren. Wanneer de financiële incentive wegvalt, zal detachering misschien worden gebruikt waarvoor ze echt is bedoeld”, stelt de gastspreekster.

Een ander kritiek punt in de huidige socialezekerheidsregeling is volgens haar het befaamde A1-document, de verklaring van de bevoegde instelling van de uitsturende lidstaat dat de gedetacheerde onderworpen blijft aan de socialezekerheidswetgeving van deze lidstaat. Dit zorgt ervoor dat de ontvangende lidstaat geen sociale bijdragen kan innen. “Het is op zich logisch dat geen twee keer moet worden betaald. Het probleem is echter dat heel wat A1-documenten frauduleus zijn of onjuistheden bevatten en dat de ontvangende lidstaat hiertegen zo goed als niets kan beginnen. Zelfs als de fraude bewezen is, is de ontvangende lidstaat nog door dit A1-document gebonden; ze kan dit document niet zomaar zelf eenzijdig aan de kant schuiven”, licht Helga Stevens toe.

De Europese regels voorzien dat een dialoog- en verzoeningsprocedure moet worden gevolgd wanneer de ontvangende lidstaat twijfels heeft over de geldigheid van een A1-document, meldt ze. “Deze tijdrovende en inefficiënte procedure is echter een fiasco, waarbij uiteindelijk slechts een niet-bindend resultaat kan worden bereikt. De uitsturende lidstaat blijft heer en meester van het A1-document. Dit leidde reeds in heel wat lidstaten terecht tot frustraties. België kwam zo in 2013 met de anti-misbruikwet van John Crombez, op grond waarvan de sociale inspectiediensten A1-documenten zouden kunnen negeren bij een vermoeden van misbruik zonder dat zij de dialoog- en verzoeningsprocedure volgen. De Europese Commissie meende echter dat deze wetgeving de Europese regels schendt en de zaak ligt nu bij het Hof van Justitie. De verschillende procedures voor het Hof van Justitie tonen aan dat voor vele lidstaten de maat vol is. Gelukkig wil de Commissie nu wijzigingen aanbrengen aan de A1-procedure: ze wil kortere deadlines en de verplichte intrekking door het orgaan van afgifte wanneer fraude onweerlegbaar is vastgesteld, en A1-documenten zullen enkel geldig zijn wanneer alle verplichte delen zijn ingevuld. Dit alles verandert echter niets aan het feit dat de lidstaat van ontvangst nog steeds gebonden is aan het A1-document. Hier lijkt mij toch nog werk aan de winkel”, beseft het Europese parlementslid.

Ze geeft toe dat het vrije verkeer van diensten in de EU onze open economie al veel welvaart heeft gebracht en wil dit principe behouden. De huidige Europese regels zijn evenwel verre van perfect. ”Willen we het draagvlak voor de interne markt bij de burger niet verliezen, dan moet er dringend iets gebeuren; de brexit bewijst dit. Europa heeft absoluut nood aan meer eerlijke concurrentie. Faire regels, het aanpakken van misbruik en het sluiten van achterpoortjes moeten een absolute prioriteit zijn voor de EU”, bepleit de advocate.

Ambitieus en bescheiden

Europees parlementslid Claude Rolin (cdH), die zijn sporen verdiende als vakbondsleider (hij was algemeen secretaris van ACV/CSC) en die als tweede gastspreker fungeert, beklemtoont dat de politiek tegelijk ambitieus (om uitdagingen aan te gaan) en bescheiden (op socio-economisch vlak, waarbij ze vrije baan moet geven aan de spelers op het terrein, met name de sociale partners) moet zijn. “De EU is een systeem op drie niveaus waarbij de lidstaten de meeste macht behouden, de Commissie wetgeving voorstelt en het Parlement zonder initiatiefrecht stemt, meestal in de medebeslissingsprocedure. Arbeidsmobiliteit is een essentieel element in de EU, maar ze mag geen obstakel vormen voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid en het bedrijfsleven en mag de sociale dumping niet bevorderen. We onderscheiden twee types van probleemsituaties datgene wat gelinkt is aan de onvolkomenheden van de detacheringsrichtlijn en het zwartwerk, soms met systemen die als maffieus kunnen worden omschreven. Deze twee problemen vergen niet dezelfde antwoorden”, poneert hij.

“De beste detacheringsrichtlijn dient tot niet veel als men op gewestelijk, nationaal of Europees vlak geen controles uitvoert”, meent Claude Rolin, die tevens pleit voor een sociaal Europa.

Ons land is volgens hem hieraan bij uitstek blootgesteld door zijn ligging in het hart van de EU. Vooral de bouw en het transport worden beïnvloed door het fenomeen van de detachering, die (de werkgelegenheid in) deze sectoren in gevaar brengt. “Bij de invoering van de richtlijn  van 1996 beperkten de mobiliteitsproblemen zich in eerste instantie tot Spanje, Portugal en Frankrijk en vooral in de fruitteelt, de tuinbouw en de bouwsector. Pas na de uitbreiding van de EU met tien lidstaten in 2004 hebben de problemen zich scherper gesteld. Deze historisch verantwoorde uitbreiding had beter begeleid moeten worden in termen van economische en sociale convergentie en men had de interne ontwikkeling van de nieuwe landen beter moeten steunen. Deze situatie brengt deze nieuwe landen ertoe om hun ontwikkelingsachterstand te trachten te beperken door arbeid goedkoop te exporteren. Dat veroorzaakt scheeftrekkingen in onze economieën en langetermijnrisico’s bij de landen van herkomst om te verarmen”, licht Claude Rolin toe.

Hij somt de Europese reacties op met de richtlijn van toepassing in 2014 en een aan de gang zijnde herziening van de richtlijn (het voorstel van de Commissie met een aantal positieve elementen zoals een ruime definitie van de vergoedingen en de integratie van collectieve overeenkomsten die universeel toepasbaar zijn). Het debat vindt plaats in het Europese parlement met twee co-rapporteurs, Elisabeth Morin-Chartier (PPE - Frankrijk) en Agnes Jongerius (S&D - Nederland) en verloopt moeilijk (niet op een links-rechtsas, maar op een as van “oude” en “nieuwe” landen). De beste richtlijn dient volgens hem tot niet veel als men op gewestelijk, nationaal of Europees vlak geen controles uitvoert. Claude Rolin pleit ook voor een sociaal Europa. En ten slotte zullen volgens hem met een betere detacheringsrichtlijn niet alle problemen in België opgelost zijn; we hebben behoefte aan een echte tax shift die de arbeidskost kan verlichten en het zwaartepunt kan verleggen naar andere factoren.

“De sociale dialoog is essentieel. Als Europees parlementslid ben ik duidelijk relevanter wanneer ik kan steunen op akkoorden die werden gesloten tussen de sociale partners van een sector. De best mogelijke wetgeving zal slechts nuttig zijn als ze de coördinatie van de nationale sociale inspecties en de realisatie van een sociaal Europa versterkt”, concludeert Claude Rolin.

 

AANBESTEDINGEN
Alle aanbestedingen

Meest aanbevolen artikels

De certificatie van verhuurbedrijven is een feit

Publireportage

De certificatie van verhuurbedrijven is een feit

Op 1 oktober 2017 werd het reglement voor de certificatie van verhuurbedrijven, het TRA 550/L (delen PL en EL), gepubliceerd door Be-Cert. Onder het goedkeurende oog van het Bestuurscomité voor de certificatie van Beton. Met mondjesmaat[…]

23/10/2018 | BeurzenConcrete Day
Bouwunie meet een fitte bouwsector

Bouwunie meet een fitte bouwsector

Circulair bouwen in de praktijk

Circulair bouwen in de praktijk

Vrachtwagenproducenten tekenen present op We Are Transport

Vrachtwagenproducenten tekenen present op We Are Transport

Meer artikels