Volg Bouwkroniek

Abonneer u
Aanmelden

Volg Bouwkroniek Bouwkroniek

Hoe behandel je stijgend vocht'

Hoe behandel je stijgend vocht'

Stijgend vocht is een van de meest voorkomende vochtoorzaken in oude gebouwen, maar ook een van de meest hinderlijke. Het wordt daarom meestal prioritair behandeld. Van fundamenteel belang is dat er eerst een correcte diagnose gesteld wordt (zie hoofdstuk 2 van de TV 252). Lang niet alle vochtproblemen zijn immers te wijten aan capillair stijgvocht. Er is een uitgebreid gamma van behandelingen op de markt om de effecten van stijgvocht te bestrijden. Sommige blokkeren de capillaire opstijgingen en elimineren zo de oorzaak ervan, andere proberen de schadelijke gevolgen te beperken. Dit artikel bespreekt enkel het blokkeren van de capillaire opstijgingen.

Deze methoden bestaan erin een fysieke of fysicochemische barrière aan te brengen. Om doeltreffend te zijn, moet ze ononderbroken zijn en zo aangebracht worden dat omzeilingen uitgesloten zijn. Ze moet dus op alle punten hoger liggen dan het grondpeil en de buiteninrichtingen die in rechtstreeks contact staan met het metselwerk, maar meestal ook boven het niveau van de afgewerkte binnenvloer (bv. aan de plinten). Als de ingrepen voor het blokkeren van het stijgende vocht in een gebouw niet toegepast worden op alle aangetaste muren, is het aan te raden om verticale barrières te voorzien tussen de behandelde en de niet-behandelde muren, doorgaans tot op een hoogte van 1,2 tot 1,5 m.

In nieuwe gebouwen wordt tegenwoordig aan de muurvoet een vochtscherm, zoals een membraan, geplaatst maar om praktische redenen gebeurt dit zelden bij de renovatie van oude gebouwen. Daar geeft men meestal de voorkeur aan het injecteren van vochtwerende of poriënvullende producten. Meer dan veertig jaar praktijkervaring en talloze onderzoeken van het WTCB en in het buitenland hebben aangetoond dat de drogingsresultaten van deze injecties vergelijkbaar zijn met die van een waterkerend membraan. Daarbij komt dat ze eenvoudiger en sneller uit te voeren zijn.

WTCB-evaluatiemethode

Algemene regel is dat het horizontale injectieniveau zich boven en zo dicht mogelijk bij het hoogste van de volgende twee niveaus moet bevinden: het hoogste niveau van de bodem of van de infrastructuur (bv. terras) van de buiten­omgeving die in direct contact staat met het metselwerk, of het niveau van de afgewerkte binnenvloer (gelijkvloers of kelder). Als de vochtproblemen louter het gevolg zijn van capillair vochttransport kunnen de (gedeeltelijk) ingegraven muren tegen het stijgende vocht beschermd worden door het injecteren van een horizontale barrière in combinatie met een verticaal dichtingssysteem. Deze oplossing kan dus niet voor waterinfiltraties vanuit een grondwaterlaag die op een hoger niveau ligt dan het vloerpeil van de ingegraven ruimte, of voor infiltraties die te wijten zijn aan opgehoopt oppervlaktewater langs de wanden.

Als de configuratie van het terrein en van het gebouw dit vereist, kunnen verschillende horizontale injectieniveaus toegepast worden in verschillende delen van het gebouw. Ze moeten met elkaar verbonden worden door verticale injecties om de continuïteit van het vochtscherm te garanderen. Op plaatsen waar het te injecteren metselwerk in contact staat met onbehandelde elementen (bv. een aanpalende constructie, tuinmuur, trap of schouw), moeten eveneens verticale injecties gebeuren, meestal tot op een hoogte van 1,2 tot 1,5 m, om omzeiling van het vochtscherm te vermijden.

De WTCB-laboratoria hebben een procedure uitgewerkt om de doeltreffendheid en het migratiepotentieel van vochtwerende injectieproducten te evalueren. Ze maakt het mogelijk het gedrag van de verschillende producten in een poreuze en vochtige omgeving te vergelijken. Deze proefmethodologie voor injectieproducten wordt uitvoerig beschreven in de bijlage bij de TV 252.

Hoewel de vloeibare oplosmiddelgedragen producten momenteel het meest performant zijn op het vlak van efficiëntie en migratie, zijn de vloeibare watergedragen producten en de producten in gel- of crèmevorm milieuvriendelijker (lage vos-emissies) en is het risico op geurhinder (al dan niet gerelateerd aan schimmelvorming) na injectie kleiner. In samenwerking met Certech heeft het WTCB ook evaluatieprocedures ontwikkeld voor deze bijkomende criteria, zijnde de vos-emissies en de gevoeligheid van de producten voor biologische groei.

Voorbereiding

Om het drogen van het metselwerk maximaal te bevorderen, wordt de bestaande afwerking verwijderd over de volledige hoogte die aangetast is door het opstijgende vocht en 40 tot 50 cm boven deze zone. Als men een vloeibaar product gebruikt en de voegen in slechte staat zijn, moet het metselwerk weer opgevoegd worden om te vermijden dat er product verloren gaat. Doorgaans wordt één reeks gaten geboord langs de binnen- of de buitenzijde, bij voorkeur in een mortelvoeg die evenwijdig loopt met de vloer. De diepte van de gaten wordt zo bepaald dat er maximaal 50 mm overblijft tussen de gaten en het tegenoverliggende oppervlak (20 mm voor crèmes en gels).

Als men een vloeibaar product injecteert, is de diameter van de gaten van weinig belang: hij zal variëren rond 12 mm, naargelang de gebruikte apparatuur. Bij producten in gel- of crèmevorm wordt de hoeveelheid product die in één keer geïnjecteerd kan worden bepaald door de diameter van de gaten (minstens 12 mm, zie de technische fiche van het product). De afstand tussen de gaten schommelt tussen 80 en 120 mm, afhankelijk van de samenstelling en de staat van het metselwerk en van de geïnjecteerde producten. Voor gels, crèmes en vloeibare watergedragen producten moeten de gaten iets dichter bij elkaar geboord worden om hun beperktere migratievermogen te compenseren. Zodra de gaten geboord zijn, worden ze met perslucht gereinigd om het stof te verwijderen.

Het injecteren

De meest gebruikte methoden zijn:

injecteren van een product in vloeibare vorm onder lage druk. De lage druk is alleen bedoeld om de migratie van het product doorheen de natuurlijk aanwezige scheuren en holten in het metselwerk te versnellen; na verloop van tijd zal het product migreren naar de aangrenzende poriën. De uitgeoefende druk varieert volgens de compactheid van de materialen en de aangebrachte producten, en schommelt doorgaans tussen 0,05 en 0,2 MPa. Waarden boven 0,2 MPa zijn uitsluitend bestemd voor zeer compact en homogeen metselwerk. Als men er niet in slaagt om deze drukniveaus te halen, vloeit het product waarschijnlijk weg via een holte of een scheur aan de binnenzijde van het metselwerk of uit een boorgat dat kruist met het te vullen boorgat. In dat geval moet men de opstelling van de boorgaten controleren en het gebruik van producten in gel- of crèmevorm overwegen, of zelfs een meerfaseninjectie;

injecteren van een product in gel- of crèmevorm: deze methode is vergelijkbaar met de vorige, met dit verschil dat deze producten de neiging hebben om langer in het boorgat te blijven zonder weg te vloeien via scheuren en holten. Deze eigenschap kan voordelig zijn in zeer heterogeen metselwerk. Producten in gel- of crèmevorm kunnen ook overwogen worden in zeer compact en homogeen metselwerk. In dat geval worden de boorgaten gevuld met een voldoende hoeveelheid product, waarna het langzaam kan migreren door diffusie.

Na het injecteren worden de boorgaten afgedicht, bv. met een snelhardende waterwerende mortel. Als men een product in gel- of crèmevorm gebruikt, moeten alleen de eerste millimeters van het boorgat opgevuld worden; de rest is immers nog gevuld met product. Eventuele vlekken van het product rondom de boorgaten kunnen verwijderd worden met een met oplosmiddel doordrenkte doek of met warm zeepsop, naargelang het gebruikte product. Om de droogtijd van de muren zoveel mogelijk te beperken, moet er voldoende ventilatie en een basisverwarming aanwezig zijn.

Tussen het injecteren van het product en het aanbrengen van een nieuwe afwerking moet voldoende tijd gelaten worden om te vermijden dat de afwerking aangetast wordt door vocht en residuele zouten. De nieuwe afwerkingen moeten stoppen boven het injectieniveau om te verhinderen dat het vochtscherm omzeild wordt via de poreuze binnenbepleistering. Om dezelfde reden moet men ook vermijden dat de verticale inkepingen (voor het plaatsen van leidingen of kabels) opgevuld worden met mortel of met niet-waterwerende pleister. De plinten worden vervolgens droog of met een waterwerende mortel geplaatst.

Bron: hoofdstuk 4 van de TV 252 'Vocht in gebouwen'. Deze TV kan tegen de gebruikelijke voorwaarden gedownload worden van www.wtcb.be (doorklikken naar Publicaties en Technische Voorlichtingen). Ze is ook uitgegeven in brochurevorm en aan te kopen bij de dienst Publicaties van het WTCB tegen de geldende tarieven (tel. 02 529 81 00 10 of publ@bbri.be). Er mag alleen verwezen worden naar de Technische Voorlichting zelf.

OVERHEIDSOPDRACHTEN
Alle overheidsopdrachten

Meest aanbevolen artikels

Quarantaine-maatregel kan bouwwerven vertragen

Quarantaine-maatregel kan bouwwerven vertragen

Het coronavirus slaat momenteel weer wild om zich heen en de overheid heeft door capaciteitsproblemen de teststrategie bijgestuurd. Wie een risicocontact heeft gehad of terugkomt uit een rode zone, maar geen ziektesymptomen vertoont, wordt niet[…]

Belgische klanten kunnen elektrische Volvo-machines reserveren

Belgische klanten kunnen elektrische Volvo-machines reserveren

Antwerpen test flexibele snelheidsdrempels

Antwerpen test flexibele snelheidsdrempels

Stijgende woningprijzen maken nieuwbouw interessanter

Stijgende woningprijzen maken nieuwbouw interessanter