Volg Bouwkroniek

Abonneer u
Aanmelden

Volg Bouwkroniek Bouwkroniek

Gevolgen van digitalisering en robotisering in de bouw

Gerelateerde onderwerpen :

, ,
Gevolgen van digitalisering en robotisering in de bouw

De Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) wil tegen eind dit jaar een visie en beleidsaanbevelingen geven over de gevolgen van de digitalisering en robotisering op de Vlaamse economie en de arbeidsmarkt. In dat kader werden recent twee rondetafels over dit thema georganiseerd.

Voor elke sector gingen vertegenwoordigers uit kennisinstellingen, het bedrijfsleven, sectorfondsen en/of de vakbonden dieper in op twee hoofdvragen: wat doen jullie concreet rond digitalisering en robotisering en waarom, en wat zijn de noden of verwachtingen t.a.v. de overheid en het interprofessioneel sociaal overleg in de SERV? Het SERV-secretariaat stelde het verslag op van deze samenkomst, waaruit we hierna een aantal kernpunten halen.

BIM

Voor de bouwsector schept de digitalisering verschillende kansen. Building Information Modeling (BIM), een procedure waarbij een intelligent 3D-model wordt gemaakt en gebruikt om beslissingen voor projecten te nemen en over te brengen, maakt opgang. Autodesk BIM-oplossingen maken ontwerpen, visualisatie, simulatie en samenwerking mogelijk, terwijl alle betrokkenen gedurende de gehele levenscyclus van een project meer duidelijkheid krijgen.

Digitalisering laat ook toe om beter met iedereen samen te werken omdat de inbreng van alle betrokken partijen wordt samengebracht. Zo worden problemen, die op traditionele bouwwerven pas tijdens het bouwen  ontdekt worden, veel vroeger vastgesteld. Dat helpt ook bij het beter organiseren van het transport.

De bouwsector heeft meestal te maken met unieke producten waardoor het niet echt mogelijk is een prototype te optimaliseren en vervolgens in massa te produceren. Dit heeft als gevolg dat er meer ‘productieschade’ is dan bijvoorbeeld bij de bouw van een auto. Bouwschade kan in de bouwsector makkelijk oplopen tot 15% van de bouwkost terwijl bouwbedrijven slechts 1 tot 2% winst maken op een project.

De digitale revolutie kan de rendabiliteit verhogen door de bouwschade te reduceren. Naast BIM spelen ook drones en robots een steeds belangrijkere rol. De digitalisering laat toe om zwaar werk lichter en veiliger te maken. Zo maken drones het inspecteren van moeilijk bereikbare daken (bv. een kerktoren) veel veiliger.

Uitdaging

De ontwikkelingen gaan snel omdat heel wat technologieën betaalbaar worden en bovendien geschikt voor bouwwerven worden gemaakt. Verschillende grote bedrijven proberen maximaal in te zetten op digitalisering. Om te overleven moeten bouwbedrijven meegaan met deze evolutie. Het is een grote uitdaging om ook kleinere bedrijven hierbij te betrekken. Zij maken immers het gros van de bedrijven uit in de bouwsector: 73% van de Vlaamse bouwbedrijven telt minder dan zes arbeiders, 94% telt minder dan twintig arbeiders. Ook zij moeten digitaal evolueren om overeind te blijven.

Ook ontwerpers en architecten hebben in toenemende mate met digitalisering te maken. De overheid is hierin een belangrijke factor. Zo liep de overgang naar de digitale bouwaanvraag niet van een leien dakje – de introductie werd al meermaals uitgesteld – omdat de overheid een aantal steken heeft laten vallen. Hierbij was het voorbereidingsproces niet ideaal, vertoonden de platforms veel gebreken en was de sector onvoldoende voorbereid door een gebrek aan voorafgaandelijke dialoog.

Constructiv, het fonds voor vakopleiding in de bouwnijverheid, probeert een brugfunctie op zich te nemen, bv. door te luisteren bij en te leren van ‘early adapters’. Er zijn ook goede afspraken met het WTCB om die innovaties te kunnen vertalen naar de arbeidsvloer. Nederland heeft op dit vlak al veel voorsprong genomen.

Bijscholing

Belangrijk is dat bouwvakkers met de nieuwe technologieën kunnen omgaan. Bijscholing van bouwarbeiders is essentieel omdat de Belgen anders vervangen zullen worden door bouwpersoneel uit Estland of Letland, landen waar sterk wordt ingezet op digitale vaardigheden. Constructiv werkt samen met Cevora om de omslag te maken op basis van goede competentieprofielen. De vertaling naar onderwijs loopt echter moeilijk. Digitale competenties moeten mee worden ingeschreven in de opleiding.

Ook de overheid beseft te weinig dat de bouw hightech wordt. Zo werd de bouw eerst zelfs niet meegenomen in het zogenaamde STEM-besluit. STEM staat voor ‘Science – Technology – Engineering – Mathematics’ en bundelt een waaier aan technologische en exacte wetenschappen. Constructiv maakt al lang handboeken voor opleidingsverstrekkers en nu maakt het fonds vooral constru-books. Er is een digitaal platform voor alle opleidingsverstrekkers waar verschillende opleidingsmethodes worden aangeboden (handboeken, filmpjes, …). Naast Constructiv zijn ook heel wat andere opleidingsverstrekkers op de markt actief.

Bij aanwervingen in de bouwsector wordt niet zozeer meer naar het diploma gekeken, maar wel naar de school waar men heeft gestudeerd. De manier waarop een school iemand naar een diploma begeleidt, is heel belangrijk. Mensen moeten leren leren en moeten in staat zijn om zelf nog bij te leren.

Vandaag is er slechts een heel beperkte overdracht tussen onderwijs en werk. Beide moeten investeren om deze overdracht te versterken. Het onderwijs schermt zich hiervan nog te veel af. Door de introductie van de curriculumdossiers wil het onderwijs de invloed van de beroepskwalificatiedossiers beperken. De vrijheid van onderwijs lijkt zo een zware prijs voor de kwaliteit van het onderwijs te worden.

Ervaring

Vaak zijn bouwarbeiders technisch goed opgeleid en hebben ze specifieke ervaring die echter stilaan komt te ‘vervallen’. Een arbeider die pas vijf jaar afgestudeerd is, kan vaak beter om met de nieuwe technologie terwijl zijn ploegbaas lijdzaam moet toekijken hoe die jongere hem wat competenties betreft voorbij steekt.

De relevantie van de ervaringsladder verdwijnt en dat kan leiden tot drama’s in vele sectoren. De digitalisering zorgt voor een loskoppeling van anciënniteit, ervaring en productiviteit en betekent een grote uitdaging voor ons sociaal model waarin verloning en promotie samenhangen met anciënniteit en ervaring.

De Vlaamse overheid doet goede zaken zoals de cluster BIM waarbij zowel software, materiaal en studiebureaus betrokken zijn en waarvoor Constructiv ondersteuning krijgt. In Nederland is de overheid sneller attent geweest, maar in de privésector behoort Vlaanderen tot de voortrekkers in Europa. De overheid zou er bv. voor moeten zorgen dat de volledige bouwaanvraag in de nabije toekomst digitaal kan gebeuren, zoals bv. reeds in Singapore reeds het geval is.

Regelgeving

Er is vraag naar eenvoudige regelgeving. Voor subsidies of octrooiaanvragen moeten bedrijven een beroep doen op externe experts terwijl dit toegankelijker zou moeten kunnen. Er is tevens nood aan juridische zekerheid en roadmaps: bedrijven moeten als gevolg van de digitalisering grote investeringen doen. Wanneer de overheid dan plots van koers verandert, kan dit tot faillissementen leiden.

Daarnaast moet de overheid vooral inzetten op het wegnemen van barrières. De overheid heeft ook een voorbeeldfunctie: door strenge eisen te stellen op het vlak van bijvoorbeeld energie-efficiëntie kan in Vlaanderen kennis worden opgebouwd die elders in de wereld ook van pas zal komen. Dat kan de Vlaamse bedrijven een concurrentieel voordeel bezorgen.

Een ander knelpunt is dat de overheid weliswaar een goed clusterbeleid voert, maar dat het beleid meestal stopt na de sensibiliseringsfase, terwijl de toepassing en de opleiding vaak een probleem is. Dat betekent echter niet dat dat niet alle opleidingsnoden naar de overheid mogen worden doorgeschoven. Ook de bedrijven moeten zelf hun medewerkers meenemen in de digitalisering. Een voorstel is ook om bedrijven die meer arbeidsplaatsen genereren extra te belonen.

Energie

De elektro-installateurs zijn een sector met veel kleine bedrijven en zelfstandige ondernemers. In de energiesector beweegt enorm veel en gaat het bijzonder snel. Er is ook veel vraag op de arbeidsmarkt naar goede technische profielen. Dat maakt het voor elektro-installateurs vaak moeilijk om geschikt personeel te vinden. Een probleem is dat het onderwijs erop achteruit gaat en de verkeerde prioriteiten legt.

Elk jaar doet Volta een proef om te evalueren of de afgestudeerden klaar zijn voor de arbeidsmarkt. Volta is ontstaan uit de samenwerking van Vormelek (het centrum voor beroepsopleiding en vorming in de sector), Tecnolec (het technologisch kenniscentrum) en het Fonds voor Bestaanszekerheid (FBZ) dat zorgt voor de betaling van sociale voordelen. Volta stelt vast dat de basiskwalificaties ontbreken, terwijl de beroepskwalificatiedossiers vooral focussen op nieuwe technieken in de wereld van de elektrotechniek: batterijen, warmtepompen, pv, het internet of things, … Leerlingen kunnen bv. wel een programma gebruiken, maar begrijpen een stroomschema niet meer.

Onderwijs moet de basis aanbieden.  Hoger beroepsonderwijs (HBO5)  blijft belangrijk en mag niet stiefmoederlijk worden behandeld. Pas afgestudeerden hebben nood aan een verdieping via HBO5. Momenteel stelt dat systeem echter weinig voor. In Letland bv. studeren elektrotechnici af op hun twintigste in plaats van op hun achttiende. Ze zijn zo veel beter voorbereid op die nieuwe evoluties.

Daarnaast is er nood aan levenslang leren, net omdat er een vervaldatum op ervaring en kennis zit door technologische ontwikkelingen op het vlak van bv. verdichting van de bouwschil, ventilatie, warmtepompen en een veranderende perceptie van comfort. De digitalisering zal een grote impact hebben op het curriculum.

Grenzen vervagen

Een andere belangrijke vaststelling is dat sectorgrenzen vervagen door de digitalisering. Veel is cross-sectoraal. Er zijn in toenemende mate allianties en samenwerkingen tussen bedrijven in de energie-, de it- en de  bouwsector. Er moet vermeden worden om in silo’s te denken en te werken. Zo is er een verregaande integratie tussen elektriciteit, warmte en ventilatie, wat andere vaardigheden vergt.

Kennis van elektriciteit wordt belangrijker voor loodgieters en dakwerkers. Een installateur van sanitair en verwarming zal met de slimme water- en slimme energiemeter geconfronteerd worden. Een dakwerker zal moeten leren omgaan met energievoorzieningen op het dak zoals pv-installaties. Warmtepompen eisen dat chauffagisten ook iets kennen van elektromechaniek, en omgekeerd moeten elektrotechnici meer weten van verwarming. Ze evolueren naar een ‘regeltechnicus’.

Het is moeilijk om mensen te vinden met dergelijke competenties die sectoren overstijgen. Er is nood aan specialisten die veel meer gaan samenwerken. Ook op managementniveau is het een uitdaging om al die puzzelstukken samen te leggen. Flux50 heeft daarom een ESF-project (Europees Sociaal Fonds) in de steigers staan rond competenties.

Er wordt ook gepleit voor meer e-learning via moocs (massive open online courses). De sociale partners zouden hierover tot een akkoord moeten kunnen komen. Vakbonden vrezen echter dat opleiding dan iets wordt voor na de werkuren en dus leidt tot een stijging van de werklast. Werkgevers zweren nog vaak bij klassikale opleidingen en vrezen dat werknemers minder leren in andere formules. Nochtans kan via drie uur e-learning vaak evenveel opgestoken worden als bij een volledige dag klassikale les. We moeten af van het idee dat een opleiding enkel mogelijk is door ergens een dag naar de les te gaan.

Robots

Ook bij energieleveranciers is er een grote impact op de werknemers. Klantenrelaties gebeuren vooral via nieuwe kanalen of door selfcare. Daardoor verdwijnen routinetaken en worden meer digitale vaardigheden verwacht van de werknemers. In de back-office komen robots en dit vergt aanpassingen van het personeel dat hier vaak wantrouwig tegenover staat. Tegelijk blijven medewerkers unieke vaardigheden hebben die robots niet onder de knie zullen krijgen.

Toch zal voor bijna alle werknemers de job- en de functie-inhoud veranderen. Werknemers zijn ook consument, en door hun ervaring als consument staan ze meer open voor veranderingen op de werkvloer omdat ze snappen dat die veranderingen nu eenmaal moeten gebeuren. Engie probeert de werknemers en de sociale partners zoveel mogelijk te betrekken bij deze evoluties. Het vraagt openheid langs beide kanten. Nieuwe producten ontstaan trouwens ook door co-creatie met werknemers.

Er is vraag naar een overheid die zorgt voor minder belemmeringen voor interacties op de computer tussen klant en bedrijf. Zo wordt de online identificatie van klanten via hun simkaart nu nog tegengehouden. Ook in de energiesector is het een grote uitdaging om kleinere (nog niet of minder innovatieve) bedrijven mee te krijgen. Kleine bedrijven vallen nog te vaak uit de boot bij de speerpuntclusters. Zij moeten ondersteund worden want ze hebben minder capaciteit om zelf die opleidingen op te volgen en aan te bieden.

De energiesector is het gewend om te werken met installaties die lang meegaan. Daarom is de regelgeving vaak niet aangepast aan de nieuwe versnelling. Het winterpakket van de Europese Commissie omvat meer dan 1.500 pagina’s wetgeving. Het zal een hele klus worden om dat te toe te passen in de realiteit.

Lokale besturen

Experimentwetgeving en regelluwe zones zijn belangrijk om nieuwe innovaties te stimuleren en uit te proberen. Ze kunnen vermijden dat wetgeving te traag mee evolueert en een belemmering wordt. In het kader van zo’n proeftuinenbeleid moet er niet alleen voor worden gezorgd dat de grote bedrijven mee zijn, maar ook de lokale overheden. Het is namelijk bij de plaatselijke besturen dat vele bevoegdheden liggen om deze evoluties mogelijk te maken.

De discussie bij digitale technologieën zoals slimme meters mag niet altijd gaan over de kosten voor de consument, maar moet ook aandacht hebben voor de gevolgen voor de werkgelegenheid. Door het invoeren van de slimme meters zullen de mensen die vandaag energiemeters uitlezen hun taak verliezen. Hoe kunnen zij worden opgevangen en heropgeleid?

Een belangrijke discussie in de energiesector is of wordt het eigenaarschap, het beheer en het open stellen van allerhande data. Er wordt ook op gewezen dat nieuwe digitale technieken voor disruptieve ontwikkelingen kunnen zorgen in de energiesector. Voorbeelden zijn powerpeers (peer-to-peer elektriciteitslevering, zelfs voor bv. 10 minuten) en ‘blockchain’ toepassingen die de huidige rollen en modellen in de energiesector tussen producent, netbeheerder, leverancier en klant helemaal overhoop kunnen gooien.

Logistiek

In de transportsector is de digitalisering al lange tijd aan de gang en dit op verschillende niveaus. VIL is het innovatieplatform voor de logistieke sector en ondergaat momenteel een transformatie naar speerpuntcluster Logistiek. Eén van de opdrachten van VIL is om duurzame en innovatieve concepten en technologieën toe te passen. Digitalisering is één van de vier prioritaire werkthema’s voor VIL, naast Flanders gates, duurzaamheid en omnichannel. VIL voerde in het kader van de digitalisering een studie uit over de impact van drones en zelfrijdende trucks, o.a. wat de noodzakelijke competenties van toekomstige chauffeurs betreft.

De overheid heeft grote stappen gezet en focust op de juiste zaken. Vandaag voldoet het wettelijke kader vaak nog niet, maar de overheid werkt wel samen met en luistert naar de industrie en probeert een testbed te creëren, bv. voor autonome voertuigen of drones. Vaak is wel nieuwe wetgeving nodig en dat vergt (soms te veel) tijd.

Wat kmo’s betreft is VIL verplicht om bij zijn projecten minstens 50% kleine of middelgrote ondernemingen te betrekken. In die projecten delen grote bedrijven op een open manier hun ervaringen en daarvan kunnen kmo’s leren. Kmo’s zijn niet per definitie minder geneigd tot innovatie. Om kmo’s te betrekken ligt de oplossing trouwens niet zozeer in subsidies: kmo’s moeten zelf kijken wat een deelname aan samenwerkingsprojecten voor hen kan opbrengen.

Chauffeurs

Het gevaar van technologische vooruitgang is dat de samenleving uit het oog wordt verloren. Een knelpunt is bv. dat in logistieke diensten de verantwoordelijkheid vaak naar schijnzelfstandigen wordt doorgeschoven en dat de winsten naar het buitenland verdwijnen. De digitalisering draagt ook bij aan de sociale dumping in de transportsector. Zo kan een Belgische werkgever een bedrijfje hebben in Slovakije waar slechts één werknemer de dienstregeling kopieert en doorgeeft. Een gelijk speelveld is essentieel. Europa is bezig met deze problemen, maar zal beslissingen moeten nemen.

De taakinvulling van chauffeurs zal wijzigen. De beroepskwalificatiedossiers moeten daaraan worden aangepast. Als de chauffeur in een zelfrijdende truck ook administratieve taken moet opnemen, zijn andere profielen nodig. De digitalisering opent ook de brede discussie over de rol van werk en de invulling ervan. Functies en taken wijzigen, er gaan jobs verloren, maar er is tegelijk ook veel werk dat vandaag niet gedaan wordt.

Maakindustrie

In de maakindustrie worden producten veel meer gepersonaliseerd. Bedrijven moeten klaar zijn om unieke producten te maken aan de kostprijs van serieproductie. De klant is bereid om iets meer te betalen als de producten sneller worden geleverd en gepersonaliseerd zijn. De grote uitdaging is: de juiste businessmodellen uitvinden. Als de klant er niet voor wil betalen, heeft technologische vernieuwing bedrijfseconomisch geen zin. Vooral kleine bedrijven moeten sterker inzetten op het ontwikkelen van het juiste businessmodel. Zo maakte het bedrijf Urago vroeger spatborden, maar leed het onder een goedkopere productie in Zuid-Korea. De onderneming schakelde daarop over naar designproducten en vandaag is ze opnieuw een bloeiende zaak.

De kern van de onderzoeksstrategie van Flanders Make bestaat uit het uitrollen van digitalisering samen met de bedrijven. Flanders Make vertrekt daarbij van de noden van de sector en de bedrijven om het onderzoek te plannen, waardoor er een garantie is op valorisatie in de sector. In de toekomst wordt voort ingezet op valorisatietrajecten bij zoveel mogelijk bedrijven. Flanders Make bedient ongeveer evenveel kmo’s als grote bedrijven.

Een cruciale succesfactor om digitalisering aan te pakken is de bereidheid om te veranderen. Met het ‘Made Different’-project stimuleert Agoria bedrijven om het beter te doen. Het is een doorbraakprogramma dat veel betrokkenheid van het management vraagt. Met het Made Different-programma werden al verschillende fabrieken van de toekomst gecreëerd die sterk hebben ingezet op robotisering. Dat resulteerde in een totaal investeringsbedrag van een half miljard euro en een gemiddelde personeelstoename van 11% bij die bedrijven. De deelnemende bedrijven zijn door de digitalisering een stuk competitiever geworden: ze kunnen meer exporteren en daardoor werven ze nieuwe mensen aan.

De digitalisering maakt ook een manier van ontwikkelen mogelijk die veel sneller gaat en meer gebaseerd is op experimenten. Innovatie loopt bij veel meer afdelingen samen in plaats van enkel bij de onderzoeksafdeling. Vandaag gaat het goed met de bedrijven door de economische hausse. De orderboekjes zitten vol. Als gevolg daarvan is het moeilijker om bedrijven te motiveren om continu te innoveren en te transformeren. Daardoor riskeren ondernemingen achterop te geraken en het binnen enkele jaren moeilijk te krijgen. De sector zet in op informatisering en informatierondes, maar toch zijn vele bedrijven zich onvoldoende bewust van de evolutie.

Daarnaast bestaat een grote nood aan een beter begrip en een verre samenwerking tussen alle sectoren. Het is opvallend dat men zelden ict-bedrijven ontmoet op overlegmomenten die te maken hebben met digitalisering. Dat is jammer, want het is vaak moeilijk voor kmo’s om te weten wat ict-bedrijven doen.

Verschuiving

Door de digitalisering ontstaat ook een verschuiving van sectorgrenzen en businessmodellen. Een voorbeeld is dat autoconstructeurs en -verkopers vaak veel meer data beschikbaar hebben over chauffeurs dan verzekeringsbedrijven en dus eigenlijk evengoed verzekeringen kunnen beginnen aanbieden.

Er zijn al eerder industriële revoluties geweest en die hebben altijd meer werk opgeleverd. Wel zal de taakinhoud binnen maakbedrijven drastisch veranderen. Binnen vijf tot tien jaar zal de helft van de huidige taken niet meer bestaan. Taken die zogenaamd ‘dirty, dangerous and dull’ zijn, worden overgenomen. Dat is ook een kans om tijd vrij te maken om zich op te leiden.

Technologie maakt werk toegankelijker. In maatwerkbedrijven kunnen mensen met beperkte mogelijkheden vandaag al erg complexe producten maken dankzij de technologische vooruitgang. Als men technologische innovaties wil stimuleren moet er ook aandacht zijn voor mensen die met deze technologie aan de slag moeten. Er kan geen technologisch project starten zonder dat iedereen die het moet uitvoeren mee aan boord is. Digitalisering laat tevens toe om meer organisatorische taken door zelfsturende teams te laten opnemen. Mensen krijgen door de digitalisering meer tijd om mee na te denken over werkprocessen.

Een deel van de laaggeschoolden zal het moeilijker hebben om mee te kunnen met de digitalisering, maar tegelijk ontstaan ook ontwikkelingen die informatie gemakkelijker tot bij de operator brengen. Daardoor worden complexe taken veel toegankelijker. Zo ontwikkelde Arkite een systeem dat een operator perfect toont wat hij moet doen op welk moment. Er is een enorm tekort aan ict-profielen, maar voor de digitalisering zijn niet enkel techneuten nodig. Uit een studie van Agoria blijkt dat ook mensen nodig zijn die de juiste vragen aan de data kunnen stellen.

 

OVERHEIDSOPDRACHTEN
Alle overheidsopdrachten

Meest aanbevolen artikels

België verzandt in Europese economische middenmoot

België verzandt in Europese economische middenmoot

Ook in 2020 zal België op economisch valk in de middenmoot van Europa blijven zitten. De sputterende internationale handel zal ook de Belgische exportgroei doen dalen, zo blijkt uit de nieuwste Economic Outlook die kredietverzekeraar[…]

04/12/2019 | SociaalSocio-Economie
Fiscaal voordeel in bouw en aanverwante sectoren

Fiscaal voordeel in bouw en aanverwante sectoren

Malafide buitenlandse bedrijven ontwrichten Belgische bouwmarkt

Malafide buitenlandse bedrijven ontwrichten Belgische bouwmarkt

Freelancers in de bouw: wat met de risico’s?

Freelancers in de bouw: wat met de risico’s?

Meer artikels