Volg Bouwkroniek

Abonneer u
Aanmelden

Volg Bouwkroniek Bouwkroniek

“Europese samenwerking maximaliseert de competitieve voordelen van het digitale tijdperk”

Gerelateerde onderwerpen :

,
“Europese samenwerking maximaliseert de competitieve voordelen van het digitale tijdperk”

58ste Ufemat-congres in Berlijn

De internationale bouwmaterialensector staat tegenover tal van uitdagingen, waar recent nog de Brexit nog is bijgekomen, terwijl de Duitse bouw kampt met een huisvestingsprobleem. Dat bleek tijdens het recente 58ste Ufemat-congres in Berlijn, waarover een eerste bijdrage.

Ufemat-voorzitter Antonio Ballester López belichtte vooreerst de toegevoegde waarde van de bouwmaterialenhandelaar. Tijdens  het vorige Ufemat-congres in Dubrovnik onderscheidde hij nog vier uitdagingen: de uitwisseling van goede praktijken, hoe de bouwmaterialenhandelaar zijn identiteit kan verspreiden bij zijn klanten (“We zijn de professionele handelaars van bouwmaterialen”), hoe hij moet omgaan met de digitale markt en hoe hij deel kan uitmaken van een strategische lobby in de EU.

Hieraan voegde hij een vijfde, erg recente uitdaging toe: wat zullen de gevolgen op korte en lange termijn zijn van de Brexit voor de bouwsector? “Voor een Brits pond betaalde je op 22 september 2016 1,165 €, tegenover 1,35 € een jaar voordien. De aanhoudende zwakte van de munt werd beklemtoond door de verlaging van de rentetarieven en de economische stimuleringsmaatregelen van de Bank of England. “Bijna de helft van de agenten verwacht dat het aantal potentiële huurders per woning zal krimpen als de internationale vraag verzwakt. Iets meer dan een kwart van hen meent dat de Brexit een opwaartse druk op de huurkosten zal veroorzaken”, signaleert de Association of Residential Letting Agents. Volgens Crest Nicholson “verstoort de stem van het Verenigd Koninkrijk (VK) om de EU te verlaten de import van bakstenen, hout en keukens van continentaal Europa”. Een andere opmerking luidde: “Door de invoer van bouwmaterialen te schaden en de toestroom van buitenlandse werknemers te stoppen vertraagt de Brexit de bouw en verergert hij de huizencrisis.” En uit een enquête door Smith & Williamson vóór het referendum bleek slechts 15% van het uitvoerende personeel in de bouw voorstander van een uittreding van het VK uit de EU”, meldde Antonio Ballester López.

De import van bouwmaterialen in het VK nam toe van 2,9 miljard € in het vierde kwartaal van 2010 tot 3,4 miljard € in het vierde kwartaal van 2014, terwijl de export van bouwmaterialen min of meer stabiel bleef op 1,5 miljard €; het tekort op de handelsbalans groeide dus een beetje. De top 5 van de exportmarkten voor bouwmaterialen van het VK bestond in 2014 uit Ierland (780 miljoen €), Duitsland (575 miljoen €), Frankrijk (524 miljoen €), de USA (474 miljoen €) en Nederland (442 miljoen €) terwijl de top 5 van diens importmarkten wordt ingenomen door China (2.171 miljoen €), Duitsland (2.034 miljoen €), Italië (893 miljoen €), Spanje (712 miljoen €) en Nederland (654 miljoen €). De handel in het VK van alle bouwmaterialen en onderdelen vertegenwoordigt een exportbedrag van 3.574 miljoen € (59%) naar de EU-landen en 2.489 € miljoen (41%) naar niet-EU landen en een importcijfer van € 8.478 miljoen (62%) vanuit EU-landen en 5.194 miljoen € (38%) vanuit niet-EU-landen.

“Ufemat tracht bij te dragen tot de studie, de bescherming en de ontwikkeling van de beroepsbelangen van de bouwmaterialenhandelaars en -producenten. Het vormt het forum waar de banden van de belangrijkste Europese agenten moeten worden gesmeed. Daarom moeten we helpen om een project uit te bouwen dat in staat is om de centrifugale krachten te overstijgen en een kader voor commerciële ontwikkelingen te ontwerpen. De generatiewisseling doet een nieuwe consument opstaan met verschillende waarden. Dit is wat crisis betekent: het naast elkaar bestaan van verschillende werkelijkheden. Zijn we klaar om duurzaamheidspatronen voor bouwsystemen aan te reiken aan deze nieuwe generatie, die zeer gevoelig is voor de duurzaamheid van het milieu? De technologische revolutie schudt de basis van ons businessmodel als handelaars dooreen. Deze revolutie interageert op alle niveaus van organisaties en  verstoort het aanbod en de vraag. Daarom moeten we een menselijke factor 2.0 met een brede kennis en expertise in consumententools ontwikkelen en gericht op de behoeften van de consument, omdat onze klanten alleen in een face to face-situatie echt onze toegevoegde waarde kunnen zien. Dat is immers onze identiteit: wij zijn professionele handelaars in bouwmaterialen op een Europees niveau”, begreep Antonio Ballester López.

Hij besefte echter dat de digitalisering van de economie en een ruim deel van de menselijke activiteit opbotst tegen de traditionele grondbeginselen van baksteen en mortels. “Wij zijn de echte baksteen- en mortelretailers. De digitale wereld is een globale wereld, maar onze markt voelt op dit ogenblik niet dezelfde druk van digitale tools als andere commerciële sectoren zoals de elektronica, de kledingsector of de reissector. Wanneer deze digitale golf ons evenwel bereikt, en dat zal ze op een dag doen, moeten we ons bewust zijn van onze zwaktes. Het is noodzakelijk om in aanzienlijke mate samen te werken op regionaal, nationaal en Europees niveau om de concurrentievoordelen van het nieuwe technologische tijdperk zo optimaal mogelijk te benutten. De Duitse filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel zei ooit: “Vooruitgang is het vermogen om de synthese van twee duidelijk tegengestelde krachten te bereiken.” Deze synthese is de manier waarop we moeten tewerk gaan, inzettend op de technische vooruitgang zoals met PIM (Product Information Management) dat het toevoerkanaal makkelijker maakt, en op logistieke vooruitgang. Menselijke betrokkenheid is de kern van klantenservice. We moeten een partnerschap tussen de verschillende kanalen nastreven en proberen om een langetermijnsamenwerking met de distributeurs te smeden. De industrie en de distributie moeten zeer nauw samenwerken”, raadde de Ufemat-voorzitter aan.

CPR

Het eerste deel van het congres focuste op de Duitse economische situatie en trends. Michael Halstenberg, jurist en voormalig departementsdirecteur van het plaatselijke ministerie van Bouw, besprak de omzetting van de CPR na het arrest van het Europese Hof van Justitie van 16 oktober 2014. “De Duitse regels voor het gebruik van bouwproducten zijn in lijn met de CPD (Construction Products Directive) 89/106/EEC en de CPR (Construction Products Regulation) 305/2011, althans in principe. Bouwproducten mogen gebruikt worden voor gebouwen in Duitsland wanneer ze op de Europese markt kunnen worden gebracht en een CE-markering hebben. Voor CE-gemarkeerde bouwproducten zijn nationale regels alleen gemaakt om klassen en niveaus te bepalen die worden gedekt door de geharmoniseerde norm. CE-gemarkeerde bouwproducten behoeven geen nationale toelating. Eisen voor gebouwen worden vastgelegd door de lidstaten. Geharmoniseerde normen zullen alleen de methodes en criteria verschaffen om de prestaties van bouwproducten te beoordelen m.b.t. hun essentiële kenmerken, maar zullen geen essentiële vereisten bepalen. De fabrikant verklaart de prestatie van zijn product op basis van de geharmoniseerde norm”, legde hij uit.

Michael Halstenberg verklaarde dat nationale eisen overbodig zijn als het product volledig wordt gedekt door de geharmoniseerde norm. “Hoe kunnen we ‘onvolledige’ geharmoniseerde normen hanteren? Is het mogelijk om de geharmoniseerde norm te ‘vervolledigen’ met nationale vereisten? Het Europese Hof van Justitie zegt van niet. Aanvullende nationale identificatietekens zijn niet meer toegestaan en daarom kunnen de nationale autoriteiten ze niet meer eisen. Het probleem is: hoe bewijzen dat het product geschikt is om aan de (nationale) vereisten voor het gebouw te voldoen wanneer de geharmoniseerde norm niet compleet is. Er zijn verschillende eisen voor het gebouw. Dit is een probleem voor het gebouwbeheersysteem en de klant, maar ook voor de bouwer en de verkoper. De bouwer moet aan alle vereisten voldoen: nationale vereisten voor gebouwen, de EU-CPR in het geval van gevaarlijke stoffen en contractuele vereisten. Daarom wil hij producten kopen die aan alle vereisten voldoen”, lichtte hij toe.

Niet alle geharmoniseerde normen zijn volledig m.b.t. alle nationale vereisten voor gebouwen, maar de CPR bevat geen werkwijze voor de lidstaten om vereisten vast te leggen aan het gebouw.

“Kunnen kwaliteitslabels een oplossing bieden? De CE-markering is de enige toegelaten markering voor een geharmoniseerd bouwproduct. Alleen tekens die geen essentiële vereiste inhouden, zijn toegelaten, zoals de Red dot award (productdesign, productconcept) en GS (Geprüfte Sicherheit). De bouwer/gebruiker van bouwproducten heeft zijn eigen belangen. Hij moet bewijzen dat het gebouw aan de nationale vereisten voor gebouwen voldoet, zelfs wanneer de geharmoniseerde norm van het gebruikte bouwproduct niet volledig is. De bouwer is ook een koper; de koper definieert wat hij wil kopen en daarom mag de verkoper vrijwillig verklaren wat de koper nodig heeft. De oplossing is vertrouwen en vrijwillige controle. In het nieuwe systeem vervangt informatie van de fabrikant de ettelijke vereisten. Het maakt deel uit van de contractuele overeenkomst en moet een deel worden van het verkoopcontract. Controle door een onafhankelijke derde partij biedt de koper meer zekerheid en maakt het mogelijk om de eigenschap of de functie van het product te bewijzen”, signaleerde de jurist.

Vrijwillige verklaringen

Hij benadrukte dat verklaringen van de fabrikant algemeen kunnen zijn m.b.t. het product; daarom moeten vrijwillige verklaringen van de fabrikant toegelaten worden. “We hebben nood aan eerlijke concurrentie. Misschien behoeft de bouwer meer informatie. Kwaliteitslabels moeten transparant zijn en deelnemers aan de markt gelijk behandelen; pas op voor trusts. Ze kunnen de concurrentie versterken; ze evalueren het product, niet het land van oorsprong noch de fabrikant. En ze moeten betrekking hebben op de technische eigenschappen, met name m.b.t. de eisen van de bouwcontrole", verklaarde hij.

Kwaliteitslabels mogen ook de concurrentie niet belemmeren. Gelijkwaardige labels moeten aanvaard worden, wat de concurrentie van certificeerders mogelijk maakt. De fabrikant kan de beslissing van de certificeerder niet beïnvloeden. We hebben ook behoefte aan openheid over de criteria.

“Kwaliteitslabels moeten door onafhankelijke technische instanties worden verleend. Accreditatie door de nationale accreditatie-instantie kan nuttig zijn. Kwaliteitslabels maken bewijs mogelijk zonder een eerlijke en transparante concurrentie te belemmeren”, besloot Michael Halstenberg.

Woningbouw in Duitsland

Duitsland heeft een ernstig huisvestingsprobleem. Sommige Bundesländer kampen met een bevolkingsdeficit en hebben in feite meer inwoners nodig, terwijl andere dichtbevolkt zijn en een woningtekort hebben. In bepaalde streken zouden meer dan 50% van de gebouwen beter worden gesloopt, merkte Matthias Günther, lid van de raad van bestuur van het Eduard Pestel Institut für Systemforschung e.V. in Hannover, op.

Hij belichtte het woningbouwbeleid in Duitsland en maakte een analyse van de levensstandaard in zijn land tegen de achtergrond van het migratiesaldo en vluchtelingen. Hij zoomde in op de langetermijnontwikkeling van de woningbouw in Duitsland, de objectieven en de resultaten van het woonbeleid, de thema’s behandeld door het Pestel Institut namens verenigingen sinds 2009 en drie voorbeelden.

In § 1 van de eerste woningbouwwet (“Wohnungsbaugesetz” of “WoBauG”) van 24 april 1950 werd sociale huisvesting gedefinieerd als “de bouw van woningen ontworpen en aangepast volgens de grootte, de uitrusting en de huur voor brede klassen van mensen (met een inkomensgrens van 7.200 DM per jaar, wat overeenkomt met de bovengrens van het huishouden van een werknemer)”. Het gemiddelde inkomen van een werknemersgezin bedroeg in die tijd slechts ongeveer de helft van dit bedrag.

De tweede woningbouwwet dateert van 1956. “De bevordering van de woningbouw probeerde het gebrek aan huisvesting weg te nemen en onroerend goed voor brede lagen van de bevolking te creëren. Het was de bedoeling om een adequaat aanbod van woningen voor alle bevolkingslagen te garanderen op basis van de verschillende behoeften, met name voor degenen die zelf niet in staat waren om hiervoor te zorgen. De bevordering van de woningbouw was vooral bedoeld om individuele eigenaarswoningen, familiewoningen en koopwoningen te creëren. Om individuele eigenaarswoningen te creëren werden besparingen en de bereidheid tot zelfhulp aangemoedigd”, vertelde Matthias Günther.

De woningbouwstimuleringswet van 2001 had als doelgroep van de sociale woningbouw huishoudens die niet adequaat zelf woonruimte konden bekomen in de markt en die afhankelijk waren van aankoopsteun. Werden specifiek genoemd: huishoudens met lage inkomens evenals gezinnen en andere huishoudens met kinderen, eenoudergezinnen, zwangere vrouwen, ouderen, gehandicapten, daklozen en andere personen die hulp nodig hadden, die zouden worden gesteund bij zowel de toegang tot huurwoningen als de bouw van woningen.

Bundesländer

“Met de federale hervorming in 2006 werd de verantwoordelijkheid voor sociale huisvesting overgedragen naar de federale staten. De federale regering verbond zich ertoe om gedurende een beperkte periode jaarlijks 518 miljoen € aan de Länder te betalen. Intussen hebben alle Bundesländer hun eigen woningbouwstimuleringswetten. Ondanks de nieuwe definitie van de doelgroep door de Bund in 2001 reeds zijn de inkomensgrenzen wel nog steeds erg breed, waardoor in steden als Keulen of Berlijn ongeveer 50% van de bevolking een beroep mag doen op de sociale woningbouw maar slechts een klein deel van deze sociale appartementen (5%) waarop ze recht hebben beschikbaar zijn”, wist het lid van de raad van bestuur van het Eduard Pestel Institut.

Sinds 2009 heeft het Pestel Institut woningbouwkwesties bewerkt voor een veranderende groep van verenigingen. De objectieven van deze studies zijn: door politici niet-herkende of genegeerde ongewenste ontwikkelingen identificeren, hieruit suggesties afleiden voor gerichte actie, de verbeterde resultaten laten zien door de suggesties uit te voeren, de fiscale gevolgen van de suggesties kwantificeren en de groei en de werkgelegenheidseffecten van deze suggesties kwantificeren. De gebruikte methodes zijn: puur op feiten gebaseerde wetenschappelijke en transparante berekeningen; zoveel mogelijk vertrouwen op de doelstellingen en publicaties die reeds geformuleerd werden door de overheid; gebruik maken van citeerbare bronnen (bureaus voor de statistiek van de EU en de federale en deelstaatregeringen); een tamelijk conservatieve schatting van de noodzakelijke huisvesting; geen extreme scenario's voor de toekomstige ontwikkeling; en zoveel mogelijk waarden genereren op verschillende regionale niveaus (Bund, Länder en “Kreise” of districten).

Geregionaliseerde woonbehoeften

Matthias Günther gaf ook voorbeelden van recente werken. Eerst focuste hij op het gebrek aan huisvesting in Duitsland en de geregionaliseerde woonbehoeften tot 2025. “Zelfs destijds was de energie-efficiëntie van de woningvoorraad een belangrijk onderdeel van het klimaatbeschermingsconcept van de federale regering. Maar het was ook duidelijk dat herstel niet rendabel is zonder subsidies en dat een nieuw gebouw veel betere kansen biedt voor de productie van energie-efficiëntie”, signaleerde hij.

Een prachtig voorbeeld van inconsequente bevindingen werd begin 2012 gegeven door de toenmalige staatssecretaris van het ministerie van Bouw: de kostprijs van energiezuinige renovatie volgens het Bundesministerium für Verkehr, Bau und Stadtentwicklung (BMVBS) bedraagt 3,3 biljoen € tot 2050, ongeveer 90 miljard € per jaar en 6% van de particuliere consumptie. Ter vergelijking: het volume van de woningbouw (nieuwbouw en modernisering) bedroeg ongeveer 156 miljard € in 2010.

Een tweede voorbeeld evalueerde de vraag naar toegankelijke huisvesting voor ouderen in Duitsland (vanaf 2012). “Aangenomen wordt dat die voor ongeveer 2,5 miljoen van de 2,7 miljoen huishoudens met beperkte mobiliteit moet worden aangepast. Voor de uitvoering van deze maatregelen moet de komende jaren in totaal bijna 39 miljard € worden geïnvesteerd. Individuele spelers zullen niet in staat zijn om deze investeringsbehoeften te financieren. Deze studie gebruikte bijna uitsluitend feiten en cijfers van publicaties van de federale ministeries en overheden. Het werd dus duidelijk dat alle bevindingen van de regering direct beschikbaar zijn en dat geen actie ondernemen als politiek wenselijk ondergeschikt moet worden gemaakt”, besefte Matthias Günther.

Tekort

Zijn derde voorbeeld had betrekking op de inschatting van de huidige huisvestingsbehoeften en die op middellange termijn (vanaf 2015). “De huisvesting vertegenwoordigde in 2009-2015 1,44 miljoen huizen. De woonbehoeften bedroegen voor de BBSR (Bundesinstitut für Bau-, Stadt- und Raumforschung) gedurende die periode met de immigratie van 200.000 personen per jaar 1,69 miljoen huizen. Het tekort 1 was 0,25 miljoen huizen. De geplande immigratie was volgens de BBSR-prognose 1,4 miljoen personen en de werkelijke immigratie 2,81 miljoen personen. De vereiste van extra behuizing bij 2,5 immigranten per huishouden was 0,56 miljoen huizen. Plus tekort 1 bedroeg het tekort eind 2015 min. 0,81 miljoen huizen”, verklaarde het lid van de raad van bestuur van het Eduard Pestel Institut.

Hij schatte de mogelijkheden om de woningbouw te verhogen in op  140.000 wooneenheden per jaar. “Hebben we meer conventionele huisvesting nodig? Ondanks groeiende tekorten stagneert het aantal bouwvergunningen. We hebben meer sociale huurwoningen nodig. Momenteel neemt de voorraad van de sociale huisvesting met 60.000 tot 80.000 wooneenheden per jaar af. Een ernstige heropleving van de sociale huisvesting moet deze daling minstens compenseren, wat betekent dat  de sociale huursector moet groeien met 80.000 wooneenheden per jaar. De ontbrekende 60.000 woningen kunnen worden gecreëerd in het kader van een programma voor het creëren van 'betaalbare woningen door middel van nieuwbouw'”, suggereerde Matthias Günther.

“Veel succesvoller, ook in de communicatie, waren alle onderzoeken die direct hun toevlucht namen tot overheidspublicaties. Om afgevaardigden in het parlement te bereiken, is de regionalisering van de resultaten op nationaal en provinciaal niveau vereist. Alleen actie in hun eigen kiesdistrict lijkt hen ertoe te motiveren om zich bezig te houden met deze kwestie. Huisvesting vormt nochtans één van de grootste problemen”, besloot hij.

AANBESTEDINGEN
Alle aanbestedingen

Meest aanbevolen artikels

De certificatie van verhuurbedrijven is een feit

Publireportage

De certificatie van verhuurbedrijven is een feit

Op 1 oktober 2017 werd het reglement voor de certificatie van verhuurbedrijven, het TRA 550/L (delen PL en EL), gepubliceerd door Be-Cert. Onder het goedkeurende oog van het Bestuurscomité voor de certificatie van Beton. Met mondjesmaat[…]

23/10/2018 | BeurzenConcrete Day
Bouwunie meet een fitte bouwsector

Bouwunie meet een fitte bouwsector

Circulair bouwen in de praktijk

Circulair bouwen in de praktijk

Vrachtwagenproducenten tekenen present op We Are Transport

Vrachtwagenproducenten tekenen present op We Are Transport

Meer artikels