Volg Bouwkroniek

Abonneer u
Aanmelden

Volg Bouwkroniek Bouwkroniek

Bijna één onderneming op vijf heeft vijf jaar voor niets gewerkt

Bijna één onderneming op vijf heeft vijf jaar voor niets gewerkt

Zopas is de Trends Top 30.000 editie 2016 verschenen. Uit de jaarrekeningen van de Belgische bedrijven blijken twee opvallende vaststellingen: bijna één onderneming op vijf heeft vijf jaar voor niets gewerkt en werken wordt alsmaar flexibeler en tegelijkertijd relatief goedkoper. De nieuwe uitgave kost 180 ', btw niet inbegrepen. Bij het boek hoort een persoonlijke login voor de Top-website.

Traditioneel stijgen de personeelskosten sneller dan de toegevoegde waarde, wat uiteraard tot lagere competitiviteit en kleinere marges leidt. Dat geldt voor alle jaren die onder de loep werden genomen, behalve voor 2014. Met de toegevoegde waarde die een onderneming creëert, moet ze haar bedrijfskosten dekken, waarvan de personeelskosten het leeuwendeel uitmaken, en kan ze een operationeel resultaat neerzetten dat we kunnen beschouwen als de weergave van de dagelijkse efficiëntie van een onderneming. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de fiscaliteit of eventuele financiële of uitzonderlijke resultaten.

Als we naar de stijging kijken, krijgt de toegevoegde waarde in 2014 voor het eerst de bovenhand. Het effect blijft echter beperkt: het verschil in het voordeel van de toegevoegde waarde bedraagt niet meer dan 0,35%. Bovendien moet nog een lange weg worden afgelegd, zeker omdat de operationele resultaten nog steeds onder het niveau van 2010 blijven. Het operationele resultaat meet de gewone activiteit van een onderneming, de dagelijkse prestaties. Dat kerncijfer uit ons boekhoudrecht leunt het dichtst aan bij de EBIT (Earnings Before Interest and Taxes), die bij de internationale financiële rapportering wordt gebruikt.

De voorbije twee jaar verbeterden de resultaten, maar het niveau van 2010 werd nooit opnieuw bereikt. Het daalde sinds 2010 aanhoudend. In 2014 zagen we voor het eerst opnieuw een stijging, maar de resultaten blijven onder het niveau van 2010. Ten opzichte van 2010 ligt het resultaat van 2014 op index 93. Tussen het operationele resultaat en de nettowinst, die op de laatste lijn in de resultatenrekening staat, vinden we de financiële en uitzonderlijke resultaten, die doorgaans het nettoresultaat opdrijven, behalve voor 2013. Los van het niveau, is de trend overal dezelfde: de winst daalt ononderbroken vanaf 2010 en begint in 2014 eindelijk weer te stijgen. Ten opzichte van 2010 ligt de winst echter nog steeds op index 82.

Het aantal verlieslatende ondernemingen piekte eerst tot boven de 20%, maar ligt nu opnieuw op het niveau van 2010.

Rentabiliteit

Het logische gevolg daarvan is dat de rentabiliteit of winst in verhouding tot de eigen middelen sterk is gedaald. In 2010 bedroeg de rentabiliteit 9,08%. Nu nog 6,31% of een daling met 30%. Omdat een grote winst bij één of enkele bedrijven de verliezen van de andere zou kunnen neutraliseren of omgekeerd, koos de Trends-redactie ervoor om zich uit te drukken in het aantal ondernemingen in plaats van in miljoenen. Voor de nieuwe editie werd dus per jaar nagegaan hoeveel ondernemingen hun jaarrekening met verlies afsloten. Het aantal verlieslatende ondernemingen piekte eerst tot boven de 20% maar ligt nu opnieuw op het niveau van 2010.

Heel wat van die ondernemingen zijn ondertussen weliswaar verdwenen, maar toch bestaat een harde kern van 698 ondernemingen die systematisch verlies lijden en die in vijf jaar geen cent winst maakten.Voorts is vast te stellen dat liefst 4.923 ondernemingen de cyclus van vijf jaar in het rood eindigen. Bijna één onderneming op vijf (18,18%) heeft vijf jaar lang voor niets gewerkt. Samen verloren ze 21,2 miljard ' of bijna drie vierde van de gemiddelde winst van één van de laatste vijf jaren.

In 2014 lijken de zaken wat beter te gaan, maar er blijven gapende wonden die nog moeten helen. Tussen 2010 en 2014 verschrompelde de netto-kaspositie van bijna één onderneming op twee (47,3%). Op enkele uitzonderingen na, zoals bij de grootdistributie waar de klant betaalt vóór de leverancier wordt betaald, moet het bedrijfskapitaal positief zijn. Als dat niet langer het geval is, wordt het steeds moeilijker om betalingen op korte termijn (aan leveranciers, bankiers, personeel) tijdig uit te voeren. In dat geval moet met de betalingstermijnen gespeeld worden of moet het bedrijf gaan lenen.

Van 2010 tot 2013 nam het aantal ondernemingen met een negatief bedrijfskapitaal voortdurend toe. In 2014 lijkt de stijging te zijn gestopt, maar de situatie is nog steeds slechter dan in 2010. Vandaag hebben 7.591 ondernemingen een negatief bedrijfskapitaal, tegenover 7.162 in 2010. In totaal werkt één onderneming op vier met een negatief bedrijfskapitaal. De financiële onafhankelijkheid, die de verhouding van het eigen vermogen tot het totale passief meet, steeg sinds enkele jaren, maar trappelt ter plaatse sinds het stelsel van de notionele interestaftrek minder interessant werd.

Jobs

Bij degenen die de bedrijven draaiende houden is er een sterke daling merkbaar van het aantal aangeboden voltijdse jobs, een even sterke daling van het aantal aangeboden contracten van onbepaalde duur en zijn er steeds hogere vereisten inzake opleiding. In 2010 waren van de 100 voorgestelde voltijdse equivalenten (vte) 71,23 ook daadwerkelijk voltijdse jobs, bij de rest ging het om deeltijdse arbeid. In 2014 is van de 100 voltijdse equivalenten nog slechts 61,79% echt voltijds. Dat is een daling met nagenoeg 10%.

Bovendien neemt het aantal voltijdse contracten niet alleen af, maar zijn ze ook steeds vaker in duur beperkt. In 2010 was op 100 voorgestelde voltijdse contracten één van de twee (50,02%) van onbepaalde duur. In 2014 is dat gedaald tot 43,31%. Bijna zes van de tien aangeboden contracten zijn nu van bepaalde duur. In verhouding tot het aantal aangeboden vte is de klassieke arbeidsovereenkomst, die vroeger een levenslange tewerkstelling garandeerde, van ruim één derde naar ruim één vierde gedaald.

Toch tekent zich een trend af: de stijging van de loonkosten is eindelijk onder controle.

In 2010 waren de voltijdse contracten van onbepaalde duur goed voor 35,36% van de aangeboden vte. In 2014 was dat nog slechts 26,76%. Die flexibilisering gaat bovendien gepaard met hogere vereisten inzake opleiding. Op vijf jaar tijd zijn de diploma-eisen van werkgevers met twee punten gestegen. In 2010 bedroeg het percentage hoger opgeleid personeel 26,78%. In 2014 is dat gestegen tot 28,71%.

Werken wordt alsmaar flexibeler en tegelijkertijd relatief goedkoper. Dat is een tweede belangrijke vaststelling uit de Top 30.000. De toename van de kost per uur lijkt te zijn gestopt. De vertraging is zelfs spectaculair. Tussen 2013 en 2014 steeg de uurkost per voltijdse werknemer met slechts 15 cent, of acht tot tien keer minder dan in de loop van de vier voorgaande jaren. Tussen 2010 en 2014 steeg de gemiddelde uurkost van een voltijdse werknemer met 10,52%.

Toch zijn sommige grote ondernemingen er desondanks in geslaagd om hun loonkosten in de loop van die periode opvallend goed onder controle te houden. De sociale balansen zijn niet altijd even betrouwbaar en de cijfers moeten dan ook met de nodige reserve worden behandeld. Toch tekent zich een trend af: de stijging van de loonkosten is eindelijk onder controle.

In 2013 verdwenen 13.000 jobs. Dankzij de heropleving in 2014 ontstonden weliswaar 18.000 nieuwe jobs, waarvan 5.000 in de conjunctuurgevoelige sectoren. Acht op de tien jobs die tussen 2000 en 2013 werden gecreëerd, zijn hoofdzakelijk door de overheid gefinancierd. Bij de 100.000 extra personen die in die periode bij de administratie en in het onderwijs aan de slag gingen, komen ook nog de 170.000 werknemers die in de gezondheidssector en de sociale actie werken of die via het systeem van de dienstencheques tewerkgesteld zijn. Daarmee komt het aandeel van de niet-commerciële sector in het totale aantal jobs op 34,7%.

Industrie

Die evolutie is uiteraard alleen houdbaar als er tegelijkertijd voldoende jobs in de commerciële sector gecreëerd worden. De inkomsten uit de laatste moeten in principe een duurzame financiering van de eerste mogelijk maken. Dat ligt niet voor de hand. Onze industrie verdwijnt immers zienderogen. Tussen 2000 en 2013 gingen in de industriële sector 117.000 banen verloren. De industrie is nog goed voor slechts 17% van onze toegevoegde waarde en onze handelsbalans weegt steeds minder aan de goede kant door.

Verontrustender is dat België almaar minder buitenlandse investeerders weet aan te trekken. Sinds het begin van de crisis, zo berekende IBM Plant Location, kostten de door buitenlandse bedrijven aangekondigde herstructureringen minstens 52.000 jobs.

Het eerste halfjaar van 2015 zag er eindelijk weer beter uit. In de privésector kwamen er volgens het Instituut voor de Nationale Rekeningen 10.000 banen bij. Terwijl de dienstensector het goed doet, blijft de industrie het moeilijk hebben. Een andere vaststelling is dat het aantal ambtenaren voor het eerst sinds 1996 daalt.

OVERHEIDSOPDRACHTEN
Alle overheidsopdrachten

Meest aanbevolen artikels

Bouwsector blijft onder druk staan

Bouwsector blijft onder druk staan

Het jaar 2020 is er voor de meeste ondernemingen eentje om snel te vergeten. De pandemie die zowat het hele jaar domineerde en tot vandaag voortduurt, gecombineerd met de grootste recessie sinds de Tweede Wereldoorlog, zal door iedereen worden[…]

01/03/2021 | Corona
Deinze werkt voortaan met stadsleveranciers

Deinze werkt voortaan met stadsleveranciers

Besix en Elia gaan aan de slag met slimme gebouwen

Besix en Elia gaan aan de slag met slimme gebouwen

Helft van de renovatieleningen dient om de woning 'groener' te maken

Helft van de renovatieleningen dient om de woning 'groener' te maken